In de jaren zeventig van de vorige eeuw speelde het kleine jongetje dat ik toen was met zijn vriendjes in en rond de ruïne van kasteel De Keverberg in Kessel, die vervallen maar trots op een helling aan de linkeroever van de Maas lag. Het kasteel intrigeerde ons, en mij in het bijzonder, gek als ik was op oude mysteries. Want legenden waren er genoeg rond De Keverberg. Zo zou er in de middeleeuwen een tunnel onder de Maas door zijn gegraven, waar door de bewoners in geval van belegering zouden kunnen ontsnappen. Waar die tunnel begon wist niemand, wij hebben heel wat uren doorgebracht op zoek naar dat archeologische enigma. Maar zo mogelijk nog intrigerender was het verhaal van Frits, de laatste baron van de familie Van Keverberg. Verlaten door vrouw en dochter sleet hij zijn laatste jaren als een verbitterd man in Kessel, waar hij het ook nog eens aan de stok kreeg met de gemeenteraad en de pastoor. Daarom wilde hij niet volgens de katholieke tradities worden begraven en liet hij testamentair vastleggen dat zijn lichaam na zijn dood ter beschikking zou worden gesteld aan de universiteit van Leiden.
Baron Frits stierf in 1876, maar zijn lichaam is nooit in Leiden aangekomen. Waar de stoffelijke resten wel zijn gebleven, is een mysterie dat me fascineerde en mij nooit losliet. Toen ik enkele maanden geleden op zoek was naar een historisch gegeven om een nieuw te schrijven roman op te baseren, kwam ik dan ook al gauw uit op de legende van baron Frits. Langzaam maar zeker ontspon zich een denkbeeldige intrige rond het waargebeurde gegeven van het verdwenen graf. En wat gebeurt er vandaag? Na bijna anderhalve eeuw, uitgerekend nu ik er een verhaal omheen schrijf, komt baron Frits weer boven. Vanmiddag, tijdens werkzaamheden in de kasteeltuin, stuitte een kraanmachinist op de met lood beklede grafkist met de beenderen van van wat naar alle waarschijnlijkheid baron Frits is.
Mijn hele verhaal drijft op het gegeven dat Frits’ graf onvindbaar is. Baron, je wordt bedankt. Terug in je kist!
Frank Jacobs (1966) is a dutch journalist, writing for several magazines and newspapers and presenting motoring shows on AutoWeek TV and Discovery Channel. He has a degree in automotive management and french language and culture and he lived for many years in France, Germany, Spain and the UK. He speaks, reads and writes fluent dutch, english, german and french. Frank had been working as a music producer, entertainer, gardening hardware importer, truck sales man, management advisor and researcher. He impressed Jeremy Clarkson with his website Tuftufclub.com and recently wrote his first novel about a woman suffering from borderline personality disorder. He now is working on his second novel, a historical thriller that is due to be realeased next year.[gravityform id=”3″ title=”true” description=”true”]
Documentaire: 55 jaar Mini in Nederland
De documentaire ’55 jaar Mini in Nederland’. Teksten, script en presentatie door Frank Jacobs:
Afval – roman over borderline (synopsis)
Mark Kerkhofs zoekt na zijn scheiding afleiding in een onstuimige relatie met een op het eerste oog onweerstaanbare buurvrouw en alleenstaande moeder. De eerste tijd is het leven met haar één groot feest, maar net als Mark echte gevoelens voor Rachel krijgt, begint ze weg te zakken in buitensporig drankgebruik. Mark wil haar van de alcohol af helpen, maar mist alle signalen die op iets nog veel ernstigers wijzen. In zijn strijd Rachel droog te leggen, voor haarzelf en vooral voor haar baby, merkt Mark niet dat hij steeds verder verstrikt raakt in een web van borderline, een zware persoonlijkheidsstoornis. Leugens, bedrog, diefstal, ziekelijke obsessies, drugs, perverse seks en louche types sluipen ongemerkt zijn leven binnen. Als hij zich eindelijk realiseert dat hij in een gekkenhuis is beland en dat de baby in levensgevaar verkeert, is Mark er te ver in meegezogen om zijn handen er zomaar vanaf te trekken. Even lijkt hem dat toch te lukken, maar dan blijkt dat een borderliner zich niet zomaar aan de kant laat zetten..
Afval is gebaseerd op een waargebeurd verhaal. De auteur heeft het aan de hand van vele gesprekken met de betrokkenen, maar ook met andere slachtoffers en deskundigen, verwerkt tot een hard ironische, gitzwarte roman. Het ene moment een tragische komedie, dan weer een komische tragedie, die op een indringende wijze vertelt hoe een moeder zichzelf en haar pasgeboren kind de vernieling in werkt.
‘Waarom heb jij maar één soort douchegel in de badkamer staan?’, beet Rachel me toe, terwijl ze in mijn badjas, met een schuin hoofd haar haren afdrogend, mijn woonkamer binnen kwam lopen. ‘Mijn ex had altijd een hele rij flesjes staan. Een echte vent heeft allerlei verschillende geurtjes in de douche.’
Een echte vent wast zijn lijf met ossengalzeep. Behalve zijn lul, die laat hij schoonzuigen door zijn buurvrouw. Het lag op mijn lippen, maar waarom had ik nooit de kloten om dit soort dingen gewoon te zeggen?
Afval (proloog)
Politiesirenes snijden plakken van mijn droom. Mijn ogen schieten open, maar al wat ik zie is het blauwe schijnsel van de zwaailichten dat over het plafond van mijn slaapkamer veegt. Ik kijk naar links; de rood oplichtende cijfers van mijn wekker vertellen me dat het 4:13 in de ochtend is. Maar wat niemand mij hoeft te vertellen is dat het drama, vijftien verdiepingen onder mij, om haar draait. Dat weet ik instinctief. Dat dit een keer zou gebeuren, heb ik al die tijd eigenlijk wel geweten. Alleen naar het moment en de manier waarop had ik hoeven gissen. Zo dus. Nu dus. Alhoewel, hoe lang zal ze daar beneden hebben gelegen voordat iemand haar vond en 112 belde? Rond dit tijdstip midden in de week is er zelden iemand op straat hier. Aan de andere kant, het moet een aardige klap hebben gegeven. Hoe klinkt dat eigenlijk, een mensenlichaam dat van negen hoog op de grond dreunt? Het is maar goed dat ze lager woont dan ik. Anders was ze mijn slaapkamerraam voorbij gevlogen, en had ik daar dwars doorheen geslapen. Ironisch.
Plotseling schrik ik van mijn eigen cynisme. Een fractie van een seconde vrees ik dat ze Gilles mee heeft genomen in haar sprong naar de dood. Het zou niet zijn eerste val zijn geweest, Rachel heeft hem wel vaker uit haar dronken klauwen laten kletteren, maar toen was ik er bij om hem op te vangen. En was de val een metertje of dertig minder diep.
Opnieuw een naderende sirene, ditmaal van een ambulance. Lekker, zo’n kloddertje mosterd na de maaltijd; de patiënte ligt als een reusachtige pizza calzone langzaam koud te worden in een steeds groter wordende plas van haar eigen bloed. De politie zal wel een wit scherm om haar heen zetten, om de eerste honduitlaters te behoeden voor dit onverkwikkelijke tafereeltje. De ambulancesirene zwelt aan en verstomt vlak onder mij. Het geluid van open en dicht slaande autoportieren. Het statische gekraak en harde bliepjes van de mobilofoons weerkaatst op het wateroppervlak van de Olstgracht, wat een merkwaardige akoestisch effect geeft. Zullen ze haar nog een tijdje laten liggen voor forensisch onderzoek, of gaat ze meteen mee in een lijkzak? De doodsoorzaak lijkt me nogal duidelijk. Aan de andere kant zal de politie vast aan de mogelijkheid denken dat ze niet uit zichzelf is gesprongen. Zij kennen haar tenslotte niet zoals ik dat doe. En wie is dan verdachte nummer een?
Godverdomme.
Ze gaan navraag doen in de flat, en alle vingers zullen naar mij wijzen. Niet dat we, of ik in elk geval, ooit enige ruchtbaarheid hebben gegeven aan onze knetterende breuk van toen. Maar twee jaar geleden, lang voordat daar überhaupt sprake van was, deden wij het in het geruchtencircuit al lang en breed met elkaar. Mensen die zelf te weinig meemaken, verzinnen hele soaps rond anderen. Wij waren toen een voor de hand liggend onderwerp.
Opnieuw schiet Gilles door mijn hoofd. Heeft ze hem meegenomen, of dribbelt hij nu door haar woonkamer op de negende verdieping richting het openstaande raam waar zijn moeder door is verdwenen? Is een kind van tweeënhalf in staat door dat raam naar buiten te klimmen? Op zoek naar mama? Toen ik hem voor het laatst zag beslist niet, maar dat is al weer lang geleden. Ik moet als de sodemieter naar beneden. Haar sleutel heb ik allang niet meer, maar de politie kan haar voordeur forceren. Maak ik mezelf dan verdacht? Flauwekul, dat ben ik toch al. Verdacht met een hoofdletter V. Het zal me verbazen als ik de zon deze ochtend vanuit mijn eigen huis op zie komen. Als ze me niet meteen op komen halen, doen ze dat zodra ze op Rachels computer de talloze haatmails aantreffen die ze mij na onze laatste ruzie stuurde. Godzijdank heb ik me nooit tot haar niveau verlaagd en heb ik haar eerst in redelijke bewoordingen, en later helemaal niet meer geantwoord.
Hier en daar hoor ik ramen open schuiven. Ergens, enkele verdiepingen onder mij, gilt een vrouw. Blijkbaar heeft de politie het aanzicht van bovenaf nog niet afgeschermd. De natriumverlichting op het plein beneden is krachtig genoeg om Rachels identiteit prijs te geven, dus de verhalen kunnen beginnen. Zijn mijn buren in staat om te geloven dat ik haar de diepte in geholpen heb? Ik kan het me nauwelijks voorstellen, maar ik heb vorig jaar wel meer ranzige verzinsels over Rachel en mij gehoord.
De gilmevrouw van beneden is begonnen te huilen. De eerste buren zullen nu wel buiten staan, in ochtendjas en op vluchtig aan geschoten schoenen, kleumend in de vroege aprilkou. Die kunnen de politie ook wel vertellen dat er nog ergens een klein kind moet zijn. Ik verbaas me over mijn eigen kilheid. Nog maar twintig maanden geleden lag ze hier naast me. Warm, zacht en opgerold, rustig ademend. Nu ligt ze vijftien verdiepingen lager op de hardhouten steiger. Koud, verbrijzeld en stuk.
En ik?
Ik voel een vreemd soort opluchting. Kutwijf. You’re not my problem anymore. Zelfs voor haar kind kan ik op dat moment weinig empathie opbrengen, alsof ik onbewust haar gif op hem heb geprojecteerd. Kutkind. De enige bezorgdheid die ik voel is een rationele, een soort burgerlijk plichtsbesef.
Dan hoor ik ze, de onvermijdelijke voetstappen op de gang. De liftdeuren schuiven dicht, gedempte stemmen, opnieuw statisch gekraak, nu dichterbij.
Ze komen naar mijn voordeur.
De bel klinkt oorverdovend door de nachtelijke duisternis van mijn appartement. Ik sta op, pak mijn badjas van de stoel, sla hem om en strompel naar de overloop om de deur open te doen.
Dit is de proloog van Afval, een roman over het gekkenhuis dat borderline heet.