Frank Jacobs

journalist, schrijver en autojournalist

  • Artikelen
    • De Naardense moordzaak
    • Lost in Transition: energietransitie, maar dan?
    • Karin Slaughter over Tesla
    • Dodenvlucht Neptune 212 wellicht diefstal
    • Neptune 212: dodenvlucht boven Katwijk
    • Dakota 079: de weggemoffelde vliegramp van Biak
    • Het duistere verleden van BMW-familie Quandt
    • Religieuze moord op zee: het geheim van de KW 171
    • Ferdinand Piëch, de geniale megalomaan van Volkswagen
    • Volkswagen: familievetes en stoeltjewip
    • De verdwenen Porsche van James Dean
    • Terugkeer van een dode baron (2)
    • Terugkeer van een dode baron
    • Portfolio
  • Columns
    • Waarom de flitsmarathon onzin en bangmakerij is
    • Dieren mogen worden doodgereden, vindt de Provincie Zuid-Holland
    • Waarom kernenergie een heel slecht idee is
    • Armoede? Je hebt geen idee wat dat is
    • #NederlandVleesland
    • Omgekeerde vlaggen en boerenzakdoeken: zo herken je de simpelen van geest
    • Armoede los je zo op
    • Veevervoer? Complimenten aan Schiphol!
    • Eva Vlaardingerbroek, ga dansjes doen op TikTok
    • Paybacktime
    • Franse probleemjongeren welkom in Nederland
    • Windmolenparken op zee
    • Zijn katten invasieve exoten?
    • Zijn wielrenners asociaal?
    • Second Love: daten voor proleten
    • NewSpace: hoogplassen voor miljardairs
    • Corona: de aarde haalt opgelucht adem
    • Corona: een lesje in bescheidenheid
    • Corona: de zeven pluspunten
    • 2019 en mijn ingebeelde vriend
    • Zwarte Piet? Zand erover
    • De leugens van Koos Spee
    • Foei Halsema!
    • Een dagje aan het strand
    • De mysterieuze verdwijning van Anja Schaap: wat houdt de politie achter?
    • Wannabe-journalisten
    • Thierry Baudet: omfloerste poep
    • Arbeidsparticipatie: een pakketje schroot met een dun laagje chroom
    • Like me of zwijg
    • Vuurwerk? Rot op!
    • Lisette Vroege slachtoffer orgaanhandel?
    • Waarom Schiphol op zee bezopen is
    • Duitsland huichelland
    • Referendum: onderbuikdenkers aan de macht
    • Social influencers
    • Coen was een held
    • Aangifte doen is voor mietjes
    • 2018, het jaar van het non-nieuws
    • Wanneer wordt Lisette Vroege gevonden?
    • Waarom een dierenleven meer waard is dan een mensenleven
    • Boom!
    • Brexit? We still love you!
    • De opkomst van de tekschrijver, de ondergang van de journalist
    • Autojournalist
    • Dit is er mis met grote organisaties
    • Plastic tasjes
    • De armoedegolf van 2035: Zelfstandigen Zonder Perspectief
    • Verlengstuk
    • Vel d’Hiv: hoe bootvluchtelingen je vakantie bederven
    • Terug in je kist!
  • Korte verhalen
    • Op Slot – kort verhaal
    • De Laatste Pomp – kort verhaal
    • Ik deel hier de lakens uit – kort verhaal
    • Broedertwist – kort verhaal
  • Foto
    • Photography
  • Video
    • Documentaires
    • Autoweek TV
    • Fifth Gear Europe
    • Tuf-tuf Club op TV
  • Contact
    • Over Frank
    • Contact
    • English
    • Français
    • Deutsch
  • Email
  • Facebook
  • Google+
  • Instagram
  • LinkedIn
  • Twitter
  • YouTube
Contact
Als crossmediaal en multimediaal journalist schrijf en fotografeer ik voor onder meer AutoWeek, NU.nl, GTO Magazine, Quest Historie en Lifestyle Almere. Ook schreef ik in het verleden voor het AD en Automotive Management. Daarnaast presenteer ik video's op AutoWeek TV en voorheen het autoprogramma Fifth Gear Europe op Discovery Channel. Ik studeerde automobiel management en Frans en woonde en werkte jarenlang afwisselend in Frankrijk, Engeland, Duitsland en Spanje. Begin deze eeuw haalde ik het bloed onder de nagels van justitie vandaan met de provocerende website Tuftufclub.com. Mijn journalistieke specialismen zijn naast (auto)mobiliteit geschiedenis, literatuur en muziek.

Ik heb een diepgewortelde grafhekel aan voetbal en dit is waarom

6 juni 2026 door Frank Jacobs Reageer

Voetbal is dreinende jeuk op een plek waar je net niet bij kunt. Voetbal is stront onder je nieuwe schoenen. Voetbal is de manifestatie van alles wat er mis is met de maatschappij. Ik heb een formidabele, intrinsieke rothekel aan voetbal en dat zit zo.

Mijn afkeer van voetbal is diepgeworteld en dat mag je letterlijk nemen. Ik ben de oudste zoon van een vader die helemaal gek was van voetbal en die het volstrekt vanzelfsprekend vond dat zijn stamhouder zich naar zijn grote voorbeeld ging vormen. Dat hield in dat ik als klein jochie elk weekend achterop zijn fiets werd gehesen en zo werd meegetroond naar het NAC-stadion, waar ik tweemaal drie kwartier moest kijken naar het sportieve equivalent van de Jostiband, overstemd door het oergebrul van duizenden neanderthalers. De schaamte dat mijn bloedeigen vader daar een van was, overheerste alle andere emoties.

Anderhalf uur per week, zeg je dan misschien, waar zeur je over? Nou, daar bleef het niet bij. Elke zondagavond confisqueerde mijn vader de televisie voor Studio Sport. Dat begon steevast (en volgens mij tegenwoordig, een halve eeuw later, nog steeds) met die zenuwachtige trompetten van Tonny Eyk (ta-da-da daaaaa daaaaa daaaaa, ta-da-da dadada). Daarmee ging het volume op tien en moest iedereen de rest van zijn avond zijn mond houden. Dat Studio Sport was meteen het slotakkoord van het weekend en de aftrap van vijf geestdodende dagen in de schoolbanken. Al vele jaren heb ik een fantastische baan, waardoor mijn werkdagen minstens zo leuk zijn als mijn weekends, maar nog steeds, als de tv per ongeluk op de verkeerde zender is blijven hangen, moet ik de aandrang onderdrukken een zwaar voorwerp door het scherm te gooien.

Achterlijk

Voetbal is een domme sport, gespeeld door en voor domme mensen. Mijn vader beweerde dat tachtig procent van de bevolking achterlijk is. Dat vond ik altijd wat overdreven, maar nu ik er over nadenk en aanschouw hoe populair voetbal is, moet ik toegeven dat mijn vader er minder ver naast zat dan ik vroeger geloofde. Ironisch dat hij zich zelf elke zaterdagochtend en zondagavond bij die tachtig procent schaarde.

Voetbal is een snelkookpan vol vandalisme, zinloos geweld, antisemitisme, homofobie en racisme. Alles wat er mis is met onze maatschappij komt uitvergroot samen in het voetbalstadion.

Schijtlollige BN-ers

Maar wat misschien het allerergste is aan voetbal, is dat je er met geen mogelijkheid omheen kunt. Heb je niks met curling of een hekel aan GTST? Simpel, dan kijk je er niet naar en het is weg. Voetbal daarentegen wordt je door de strot en alle andere mogelijke lichaamsgaten geduwd, zoals nu weer in de aanloop naar het WK 2026. Je kunt het zo gek niet bedenken of er is een voetbalsausje overheen gegoten. De voorpagina’s van kranten worden overspoeld met voetbaltrivia, alsof er verder niets meer gebeurt in de wereld. TV-commercials zitten vol met schijtlollige BN-ers in oranje clownspakken en de winkels liggen vol met knaloranje wegwerprommel uit China, waardoor de plasticsoep tegen het einde van de zomer de kleur van winterpenen heeft aangenomen. Godbetert, zelfs de Amerikaanse president kleurt oranje.

De moderne mens is weinig meer dan een neanderthaler met een smartphone en een burgerservicenummer. Dat zie je op oorlogsbeelden uit Iran, Soedan en Oekraïne. Dichter bij huis zie je dat in het voetbalstadion.

Oler Spinazie – kort verhaal

29 maart 2026 door Frank Jacobs Reageer

Ding-dong.
Geïrriteerd kijkt Bart op van de race. Wie kan dat zijn? Bregje is met de meiden de stad in, de kinderen zijn bij vriendjes, Hertog Jan is koud en Max hijgt Lewis in de nek. Bart schuift een stukje naar achter op de bank, zodat hij van buiten niet zichtbaar is. Kansloos; de televisie is dat wel.
Ding-dong.
Verdomme, nog een drammer ook. Bart hijst zich uit de bank, vastbesloten de ongewenste bezoeker te hebben afgepoeierd voordat Verstappen Hamilton zijn bekomst kan geven. Hij schuifelt naar de voordeur, doet open en staat oog in oog met een breedgebouwde man van ongeveer zijn leeftijd met een dikke bos zwarte krullen. Enkele ogenblikken kijken de mannen elkaar bevroren aan, dan breekt een glimlach op het gezicht van de bezoeker door.
‘Bart, jongen, wat leuk jou eindelijk weer eens te zien!’
Bart kijkt terug, wezenloos. Hertog Jan is al in de man. ‘Hebben wij samen geknikkerd?’
De vreemdeling zet zijn handen in zijn zij en slaat theatraal zijn ogen ten hemel. ‘Bart, ik weet dat ik ouder geworden ben, maar zó erg is het toch ook weer niet? Ik ben Oler. Oler Spinazie.’
Het kwartje heeft even tijd nodig, maar dan valt het en een onbestemd gevoel trekt langs Barts ruggengraat. Niemand anders dan hijzelf, zijn moeder en zijn broer weten überhaupt van Oler Spinazie, maar toch noemt deze man die naam. Zelfs Bregje heeft hij nooit over Oler verteld. Nog verontrustender: er breekt een vleugje herkenning door het ijs.
‘Ik heb geen idee waar je het over hebt.’
De vreemdeling schudt meewarig zijn hoofd. ‘Kom op, Bart, ik zie dat je me herkent. Je moeder deed ook al alsof ze me niet kende.’
‘Mijn moeder? Wat moet je bij..’
Mag ik binnenkomen?’ Ostentatief drukt de man opnieuw op de bel.
Ding-dong.
‘Wat wil je van me?’
‘Laat me binnen en ik leg het je uit.’
Bart begint nu echt kwaad te worden. ‘Verdomd dat ik je niet binnenlaat. Sodemieter op en ga een ander lastigvallen. Goedemiddag.’ Hij duwt de voordeur dicht, maar de vreemdeling zet zijn hand ertegen en drukt hem terug met een kracht die Bart beangstigt.
‘Ik ben altijd sterker, Bart,’ zegt de man met een minzame glimlach die geen spoor van inspanning verraadt. ‘Dat was jouw eigen idee.’
‘Moet ik de politie bellen?’ Bart laat de deur los, zich ervan bewust dat hij het met brute kracht niet zal winnen van deze gek.
‘Ja hoor, dat mag je doen, ik zal je niet tegenhouden. Ik denk alleen dat die hun handen vol hebben aan jouw moeder.’ De man grijnst zelfgenoegzaam. ‘Die wilde mij ook wegsturen.’
Bart draait zich om en gaat terug naar de woonkamer. Hij pakt zijn telefoon van de stoelleuning en belt het nummer van zijn moeder. De telefoon gaat over en blijft overgaan. Bart kijkt verwonderd naar zijn toestel. Zijn moeder neemt altijd op, echt altijd. Hij legt op om het nog eens te proberen, maar dan voelt Bart een hand op de zijne, die zijn smartphone met sterke, lenige vingers overneemt. De vreemdeling  heeft zichzelf binnengelaten en legt Barts telefoon op de salontafel. Bart reikt er naar, maar de vreemdeling pakt hem bij zijn pols en duwt hem terug, langzaam, maar dwingend, met een fenomenale kracht.
‘Bespaar je de moeite, Bart. Ze neemt nooit meer op. Ik denk dat je nu wel begrijpt dat je beter even kunt luisteren naar wat ik je te zeggen heb.’ 

Het was op Barts achtste verjaardag dat Oler Spinazie op zijn pad kwam. Bart was destijds een teruggetrokken, verlegen jongetje en had geen enkele vriend. Zijn moeder besloot dat daar maar eens verandering in moest komen en organiseerde een feestje voor de verjaardag van haar zoon. Ze schreef uitnodigingen voor de vier kinderen wier namen Bart nog wel eens noemde, stelde goedgevulde snoepzakken samen en reserveerde zes plekken voor de woensdagmiddagvoorstelling van The Flintstones. De dagen voorafgaand aan die verjaardag waren voor Bart spannender dan de opmaat naar Sinterklaas. Vriendjes op zijn verjaardag, net als bij andere kinderen; hij vond het doodeng, maar tegelijkertijd vreselijk opwindend. 

Niemand kwam opdagen die woensdagmiddag en toen zijn moeder voorstelde om dan maar lekker met z’n tweeën naar de film te gaan, brak Bart. Snikkend stampte hij de trap op en smeet hij de deur van zijn kamer achter zich dicht. Zijn moeder rende hem achterna om haar kind te kalmeren, maar Bart was ontroostbaar.
Tegen beter weten in begon ze rond zessen toch maar aan de pannenkoeken, geen moment gelovend dat haar oudste zoon er ook maar één van zou eten. Nog voordat de eerste gaar was, stond Bart plotseling achter haar. Zijn ogen waren rood van het huilen, maar glinsterden als de zon na een stortbui. Haar hart maakte een sprongetje, ze schoof zijn stoel naar achteren en haastte zich limonade voor haar zoon in te schenken.
Toen ze hem zijn eerste pannenkoek voorzette, een dikke laag poedersuiker met 8 jaar! van stroop erop, verbrak Bart zijn zwijgen.
‘Oler wil er ook een, mam.’
‘Wie?’
‘Oler. Hij lust ook wel zo’n pannenkoek.’
Moeder goot de tweede lepel beslag in de pan. ‘Wie is Oler?’
Bart keek niet op van zijn pannenkoek en antwoordde met volle mond: ‘Oler is mijn vriend. Hij wilde wél mee naar de film, maar jij hebt hem niet gevraagd.’
Brigit besloot Barts onvoorziene opleving niet te verpesten en haalde haar schouders op, terwijl ze de pannenkoek behendig in de lucht omkeerde. ‘Sorry Oler. Deze is voor jou, ik maak hem extra dik.’  Ze pakte een tweede bord en bestek uit de kast en zette die op de keukentafel, recht tegenover Bart, waarna ze zich weer omdraaide om de pannenkoek voor Oler van het vuur te halen.
‘Wil jij ook poedersuiker én stroop, Oler?’ vroeg ze.
‘Uh-huh,’ antwoordde hij met Barts stem.
Ze serveerde de lege plek tegenover haar zoon een pannenkoek en moest denken aan de wortel die ze elk jaar in Barts schoen deed voor het paard van Sinterklaas. Daar kon ze de volgende dag tenminste nog een salade van maken. Enfin, ze had voor zes kinderen ingekocht, dus wat zou het ook.
‘Wat is Olers achternaam?’
‘Spinazie,’ antwoordde Bart droog.
Ze was blij dat ze met haar rug naar hem toe stond, want ze kon haar lach niet onderdrukken, maar wilde zijn breekbare opklaring niet verpesten.
‘Oler Spinazie? Dat is een bijzondere naam,’ zei ze, zodra ze zich had hervat. 

Oler Spinazie bleek een blijvertje, maar niet echt een welkom blijvertje. Bart leefde ervan op, maar zijn schaarse contacten met andere kinderen werden er nog minder door. Hij sloot zich urenlang op in zijn kamer en als Brigit achter de deur stond, hoorde ze Bart hele gesprekken met Oler voeren. Het deed haar denken aan dat jochie in die horrorklassieker The Shining, Danny Torrance met zijn denkbeeldige vriendje Tony, en die associatie vond ze doodeng. Bart vertelde Oler over zijn Thunderbirds en technisch Lego en soms speelden ze godbetert Twister.
Olers aanwezigheid bleef niet beperkt tot Barts kamer, ook aan tafel was Oler Spinazie vaak onderwerp van gesprek. Wanneer zijn jongere broertje Joost met een goed rapport thuiskwam, dan snoof Bart minachtend dat Oler veel betere cijfers haalde. Als zijn moeders vriend, die een autobedrijf had, met een snelle sportwagen langskwam en Joost imponeerde door te vertellen hoe hard die auto kon, schamperde Bart dat Oler op zijn fiets nog sneller reed. Aanvankelijk liet Brigit het allemaal zijn beloop omdat Bart sinds Olers komst wat gelukkiger en zelfverzekerder leek, maar na een half jaar “Oler-kan-alles-beter” begon het gedoe haar te irriteren. 

Op een avond, net voordat Joost moest gaan slapen, stond Bart stokstijf in de deuropening van zijn kamer naar iets vlak boven Joosts hoofd te staren. Joost vroeg herhaaldelijk aan Bart waar hij naar keek, maar Bart zweeg en dat maakte Joost steeds nerveuzer. Na een keer of vier geen antwoord te hebben gegeven zei Bart uit het niets: ‘Oler. Hij zit op je hoofd.’ Joost, die toch al zo bang in het donker was, gilde het uit en sliep de weken die volgden alleen nog met het licht aan.
Voor Brigit was dat incident de laatste druppel en ze verbood Bart ooit nog met of zelfs maar over Oler Spinazie te praten. Ondanks zijn leeftijd wist Bart precies wanneer hij zijn moeder beter kon gehoorzamen. Uit zijn hoofd kon ze Oler niet verbannen, maar naarmate de maanden vorderden zonder monologen met Oler Spinazie, verdween Barts ingebeelde vriendje steeds verder, terug naar de verre planeet waar hij volgens Bart vandaan was gekomen, totdat hij volledig uit Barts geest was verdwenen. 

‘Je hebt me bij het grofvuil gezet.’ Oler heeft de televisie uitgeschakeld en zit in de leunstoel ernaast. Hij laat de afstandsbediening tussen duim en wijsvinger wiebelen terwijl hij Bart indringend aankijkt.
Bart staat naast de bank, zijn armen obstinaat over elkaar geslagen, amper gelovend dat dit gesprek plaatsvindt.
‘Wat dacht je? Die onzin heeft lang genoeg geduurd? Ik heb Oler Spinazie niet meer nodig?’
Barts gedachten krioelen als wormen in een kuil, zoekend naar een wie en waarom.
‘Nou?’ Oler tikt met de afstandsbediening een trage driekwartsmaat in de palm van zijn hand.
Nog steeds doet Bart er het zwijgen toe.
‘Dan zal ik het je zelf vertellen,’ gooit Oler het over een andere boeg. ‘Je was een lulletje rozenwater. Je wilde mij niet kwijt, maar je moest van mama. En wat van mama moest, dat deed Bartje altijd braaf.’ Oler is gestopt met trommelen. ‘Vertel eens, Bart, dans je net zo braaf naar de pijpen van die Bregje van je? Ze lijkt me een pittig wijffie.’ Hij likt zijn bovenlip en grijnst wellustig.
Bart zet een stap dichterbij Oler, zodat hij goed op hem neer kan kijken. ‘Wil jij je waffel even houden?’
Oler spreidt zijn armen in een verzoenend gebaar. ‘Goed, goed. Over Bregje hebben we het later. Eerst mammie. Ze neemt altijd op, hè? Waarom net nu niet?’
Bart ploft neer op de bank. ‘Oké dan. Wie ben je en wat wil je van me?’
‘Wie ik ben heb ik je al verteld.’
‘Hou een ander voor de gek. Oler Spinazie was heel lang geleden mijn ingebeelde vriendje. Hoor je? Ingebeeld. Goed, ik vind het knap van je dat je daar achter bent gekomen en ik wil ook heel graag weten hoe. Maar ingebeeld blijft ingebeeld.’
Dan zegt Oler iets dat Bart de koude rillingen bezorgt en zijn hart doet overslaan.
‘Dat akkefietje met Marcel, was dat ook ingebeeld?’ 

In de vroege zomer van 1992 ving Bart op school een gesprek op van een groepje populaire jongens van de hoogste klas. Het was middagpauze en Bart zat in zijn eentje zijn boterhammen te eten, toen de jongens met veel kabaal de tafel achter hem innamen. Bart wilde net opstaan om weg te zijn voordat ze hem opmerkten en hij de pineut zou zijn, toen ze hun stemmen lieten dalen. Barts nieuwsgierigheid won het van zijn angst en hij keek de andere kant uit, terwijl hij zijn oren spitste.
Een van de jongens vertelde dat hij een kapotte brommer had gevonden en die naar de hut had gebracht, waar ze hem konden opknappen. Het was geen Tomos of Zündapp, zei hij, maar zo’n suffe Puch Maxi, maar als ze hem weer aan de praat kregen, konden ze er wel mee gaan crossen. Ze zouden na school naar de hut gaan om de buit te bekijken, het was Lex’ beurt om een baal shag mee te brengen.
Een hut in het bos waar je met je vrienden aan brommers sleutelt en sigaretten rookt: het was een privilege dat voor jongens als Bart onbereikbaar bleef, maar juist daarom voelde hij een vreemde sensatie. Hoe spannend zou het zijn als hij die hut vond en er eens ging rondneuzen? Ze volgen durfde Bart niet, maar een week later kreeg hij onverwacht hulp van het toeval. 

Maandagmiddag, onderweg van school naar huis, aan de rand van het dorp, zag hij hoe een eind voor hem Marcel, de gemeenste rotzak van het kwartet, op zijn BMX een bospad in reed. Toen hij een paar dagen later de vier op hun vaste hangplek bij het winkelcentrum zag zitten, achtte Bart de kust veilig en zijn kans schoon. Hij haastte zich naar het bospad, waar hij zijn fiets aan een boom ketende en het bos in liep.
Hij had een minuut of tien gelopen toen het bladerdek voor hem uiteen week, een klein weiland onthullend met aan de rand een krakkemikkig houten schuurtje met golfplaten dak. Het had geen vensters, alleen een deur die door een dwarsbalk in hengsels dicht werd gehouden. Ernaast lag een hoopje colablikjes, chipszakken en ander afval dat typisch was voor klootzakjes van de hoogste klas. Bart bleef staan, keek een paar keer om zich heen om zich ervan te verzekeren dat hij alleen was en liep toen met bonkend hart op de hut af.
De balk zag er zwaar uit en zat ook nog eens zo vast dat Bart al vermoedde dat ergens nog een slot zat, toen hij ineens meegaf. Bart tilde een uiteinde omhoog, waardoor de balk zijwaarts uit de tweede beugel schoof en met een doffe plof in het zand belandde. Knersend kwam de deur een stukje uit zijn sponning, toegang gevend tot een wereld waar angstige jongetjes als Bart niets te zoeken hadden. Hij trilde over zijn hele lichaam, maar stelde zichzelf enigszins gerust met de gedachte dat er niemand binnen kon zijn; de hut was immers vanaf buitenaf gesloten geweest. Voorzichtig trok hij de deur nog wat verder open; opnieuw piepen van de roestige scharnieren. Bedompte zomerhitte en een benzinelucht kwamen hem tegemoet. Binnen was het donker, op enkele strepen zonlicht na die vanuit kieren tussen de planken kaarsrechte banen door het stof schoten.
Het eerste wat Bart zag toen zijn ogen aan het duister begonnen te wennen was de brommer die rechts tegen de wand leunde. Bingo! Vervolgens ontwaarde hij enkele jerrycans en een kist vol rommelig, roestig gereedschap. Aan de houten wand waren posters geprikt. De selectie van Ajax, een Popfoto-centerfold van Guns ’n Roses, een mevrouw met openhangende blouse die haar duimen onder haar onderbroek haakte terwijl ze in de lucht zoende. Bart zag haar borsten en keek opgelaten weg. Het voorwiel van de brommer was gedemonteerd en stond ernaast tegen de wand, op een geïmproviseerd tafeltje lag een geribbeld metalen blok dat Bart meende te herkennen als een deel van de motor.
‘Je hebt zeker geen suiker bij je?’
‘Suiker?’, vroeg Bart hardop. ‘Als je suiker in de tank gooit, kunnen ze sleutelen tot ze een ons wegen, maar dan zal die klotebrommer nooit meer lopen.’
‘Ik heb geen suiker.’ Bart hurkte bij de gereedschapskist en rommelde wat tussen de steeksleutels, schroevendraaiers en tangen, zonder te weten wat hij zocht. Hij viste er een klauwhamer uit, keek er even naar en sloeg hem toen met alle kracht die hij in zich had tegen de tank van de brommer. Het gekraak sneed door de stilte terwijl het dof-rode kunststof barstte. Bart vond het heerlijk, hief de hamer opnieuw en sloeg het glas van de koplamp aan scherven.
Hij richtte zijn aandacht op de uitlaat, die er verroest genoeg uitzag om hem met één welgemikte klap af te breken, toen hij de voetstappen buiten meende te horen. Ondanks de gesmoorde hitte in de hut voelde hij kippenvel opkomen. Hij dook achter het tafeltje, dat veel te klein was om hem te verbergen, en zag hoe de deur openging en een gestalte prijsgaf.
Het was Marcel. Bart zag alleen zijn silhouet in het tegenlicht, maar die gedrongen, altijd dreigende houding herkende hij uit duizenden. Het was een kwestie van seconden voordat Marcels ogen, net als die van hem een paar minuten geleden, aan het donker gewend zouden zijn en hij Bart zou zien, daar achter dat tafeltje, de hamer in de hand waarmee hij de brommer aan stukken had geslagen.
Marcel keek om zich heen. ‘Bart-baby? Ik weet dat je hier zit.’
Het gesuis van zijn bloed in zijn oren was allesoverheersend.
‘Bart? Ik heb je fiets zien staan dus ik weet dat jij hier hebt ingebroken. Kom maar tevoorschijn.’
Marcel keek om zich heen, zoekend, tot zijn blik op Bart bleef hangen. ‘Kijk, daar zit je, lulletje. Kom maar hier, dan geef ik je een pak rammel.’ Zijn ogen waren inmiddels gewend aan het donker en bleven op de brommer hangen. ‘Godverdomme, heb jíj dat gedaan?’ Hij wachtte het antwoord niet af. ‘Daar zul voor boeten, Bart-baby.’
Bart kromp verder ineen en verwachtte dat Marcel op hem af zou komen, maar dat gebeurde niet. In plaats daarvan liep hij terug naar buiten, waarna hij de deur sloot. Barts opluchting was van korte duur, want meteen daarna hoorde hij een schurend geluid, dat maar één ding kon betekenen: Marcel had de balk voor de deur geschoven.
Met toenemend afgrijzen hoorde Bart hoe Marcels voetstappen zich verwijderden. Na enkele minuten durfde hij zich eindelijk te verroeren, stond hij op en duwde hij tegen beter weten tegen de deur. Die gaf geen millimeter mee. Bart schopte ertegen, tevergeefs. Hij nam een aanloop en liet zich met zijn volle gewicht zijwaarts tegen de deur aan vallen. Kansloos.
Bart was opgesloten en totdat iemand hem bevrijdde, bleef hij dat.
Hij had geen idee hoe lang hij, soms schreeuwend, soms huilend, tegen de houten wand had staan schoppen. De warmte en bedwelmende benzinelucht maakten hem duizelig en Bart liet zich op de grond zakken, waar hij zijn hoofd op zijn knieën legde en uiteindelijk snikkend indommelde. De vrije wereld was maar een paar centimeter achter hem, maar leek verder dan het universum van Oler.
‘Bart?’
Bart schrok wakker, opende zijn ogen en had een seconde nodig om te beseffen waar hij was. Hij veegde het opdrogende snot van zijn neus en lippen.
‘Oler?’
Buiten floten de vogels, binnen leek het iets minder warm te worden.
‘Dat klotejoch komt eraan’, zei Oler op gedempte toon.
‘Ja, ik hoor het ook,’ fluisterde Bart.
‘Pak die lucifers.’
‘Stil.’
Geritsel van voetstappen in het gras. Steeds luider, steeds dichterbij. De voetstappen hielden stil bij de deur. Het schurende geluid van hout op ijzer. Een bonk, een plof. Piepende scharnieren terwijl de deur open draaide en een strook licht naar binnen liet. Bart kneep zijn ogen tot spleetjes.
Marcel moest aan het donker wennen, Bart aan het licht. Hij deinsde nog wat verder naar achteren en stootte daarbij met zijn schouder tegen een van de jerrycans, waardoor die omviel. De dop had niet goed vastgezeten – wat de benzinelucht verklaarde – en de brandstof gutste over de houten vloer. Marcel zag het en schoot vloekend naar voren om te redden wat er van zijn kostbare goedje te redden viel. Bart zag zijn kans waar en glipte achter Marcel langs naar de deur, de lucifers mee grissend, zoals Oler heb had bevolen. Hij vloog naar buiten, duwde de deur weer dicht, tilde de balk op met alle kracht die hij kon opbrengen en liet hem in de beugels vallen.
Marcel was opgesloten en dat zou Bart later beslist op een pak slaag komen te staan, maar op dit moment gaf hem dat de voorsprong die hij nodig had om te ontsnappen aan die veel grotere en snellere jongen. Bart wilde maar één ding: zo gauw mogelijk naar huis en deze ellende vergeten. Hij zette het op een lopen.
‘Stop! Ga terug.’
Bart hield in. ‘Waarom?’
‘Ze slaan je helemaal verrot.’
Binnen in het hok was Marcel tegen de deur aan het timmeren en hij schreeuwde dingen die Olers waarschuwing van elke twijfel ontdeden. ~
‘Moet ik hem weer vrijlaten? Dan gaat hij me nu slaan.’
‘Nee sufferd. Waarom denk je dat ik je die lucifers heb laten pakken?’~
Bart stond verstijfd te kijken hoe de deur in zijn sponning trilde onder het geweld van Marcel. Geweld dat zich tegen hem zou keren zodra Marcel wist te ontsnappen.
‘Hup-hup, gooi een lucifer tussen die kieren door. Of wil je een bloedneus en een blauw oog?’
‘Dat mag niet. Dan brandt Marcel zich.’
‘Onzin. Hij komt er best uit. Maar hij moet de brand eerst blussen en dan ben jij al weg. Hup Bart, afstrijken die lucifer en door die kier rechts. Ik beloof je: dan durven ze je nooit meer iets te doen.’
Bart schoof het doosje open, haalde er een lucifer uit en liep terug naar de hut, nog steeds twijfelend. Met vuur spelen had zijn moeder hem ten strengste verboden.
‘Dit is geen spelen, Bart. Het is ernst.’
‘Klootzak! Als ik je te pakken krijg, schop ik je babyface verrot!’ Opnieuw gebonk tegen de deur en Bart zag hoe de spijkers die de scharnieren vasthouden wat meegaven.
Hij streek de lucifer af en gooide hem door de kier die Oler had aangewezen. Het maakte een sinister woef!-geluid aan de andere kant van de houten wand en Bart deinsde geschrokken terug.
Marcel leek er ook van te schrikken: ‘Wat doe je nou gek?! Laat me eruit!’
‘Ren, Bart. Ren!’ Olers stem bulderde door Barts hoofd. Hij draaide zich om en rende het bos in, terug naar zijn fiets. 

‘Begrijpen we elkaar? Marcel verbrandde levend doordat jij een jerrycan benzine omstootte, hem opsloot en een brandende lucifer naar binnen gooide. De hitte was afschuwelijk, zijn huid liet los en verschroeide terwijl jij hem had kunnen redden, maar liever je eigen hachje redde en naar je fiets rende. Je bent een moordenaar, Bart.’
‘Jíj wilde dat ik hem opsloot, jíj zei dat ik die lucifer naar binnen moest gooien.’
‘Ik? Ik ben toch maar ingebeeld? Wat lul je nou?’
‘Dus wat denk je? Naar de politie gaan en je voorstellen als ingebeeld vriendje van?’
‘Nee hoor. Wat heb ik daaraan?’
‘Wat wil je dan van me?’
Oler laat zijn stem een octaaf dalen. ’Genoegdoening. Jij hebt mij geëlimineerd. Ik wil afrekenen.’ De man komt omhoog uit de stoel en wenkt Bart. ‘Meekomen, jij en ik gaan een oude plek opzoeken, down Memory Lane.’
‘En als ik niet meekom?’
‘Dan overkomt Bregje en jullie kinderen hetzelfde als Marcel. Dan zul je moeten wennen aan het idee dat je vrouw en kinderen is overkomen wat je ooit Marcel hebt aangedaan. Maar je hoeft niet bang te zijn. Zolang je doet wat ik zeg, zal ik jou geen haar krenken. Jou niet. We zijn oude vrienden, toch?’
‘Je blijft met je poten van ze af.’
‘Dat heb jij zelf in de hand. Zo eenvoudig is het.’
Bart weert een tak af die van Olers schouder zwiept. Ze moeten nu zo’n tien minuten onderweg zijn, maar het lijken uren. Oler heeft zijn kraag opgeslagen tegen de waterkoude en vormt een rustig wandelend silhouet, dat bijna iedereen had kunnen zijn. Bart voelt bij elke stap hoe zijn zolen zich los trekken uit de zompige modder van het bospad waar hij bijna dertig jaar geleden rende, vluchtend voor zijn zelf gecreëerde trauma. 

Het gegil van Marcel was destijds met elke stap verder verstomd, maar echode nog jaren na in zijn hoofd en zijn dromen, om uiteindelijk te smoren in het volwassen leven van Bart. De middelbare school, universiteit, baan, Bregje, kinderen; de nachtmerries bleken ten langen leste niet bestand tegen alle veranderingen in Barts leven.
Gepakt werd hij nooit. Marcel had rokend aan die brommer zitten knutselen en met zijn sigaret de benzinedamp tot ontsteking gebracht, aldus de conclusie van het politieonderzoek. Bart had zich vaak afgevraagd waarom ze niet hadden ontdekt dat de hut van buitenaf afgesloten was, maar vermoedde dat dat niet meer te achterhalen was geweest. Voordat de rook vanuit het dorp zichtbaar was en de brandweer zich een weg door het dichte bos had weten te banen, was van de hut weinig meer over dan een hoop smeulende balken met wat geblakerd metaal ertussen. En de verkoolde resten van een twaalfjarige jongen, die zo erg was verbrand dat hij aan zijn gebit moest worden geïdentificeerd.
‘Daar ben je mooi mee weggekomen, jongen’, zegt Oler voor hem, zonder om te kijken. Bart begrijpt nog steeds niet waarom Oler hem heeft gevraagd hem te volgen, maar na de bedreigingen aan het adres van zijn vrouw en kinderen wilde Bart niets liever dan Oler zijn huis uit hebben, hoe verder er vandaan, hoe beter.
‘Toegegeven, ik vind het knap van je dat je altijd je mond hebt kunnen houden, op die leeftijd al.’ Opnieuw zwiept een tak naar Barts gezicht, hij weet hem maar net te ontwijken en voelt de druppels van de bladeren op zijn wang spetteren.
Bart antwoordt niet en ook Oler doet er weer het zwijgen toe. In stilte vervolgen ze hun voettocht, waarvan Bart de bestemming wel kan raden, maar naar het doel ervan slechts kan gissen. 

Het is al aan het schemeren wanneer ze de open plek bereiken. Dat is vreemd, want ze zijn aan het begin van de middag vertrokken en het kan niet meer dan een minuut of twintig lopen zijn vanuit Barts huis. Maar lang kan Bart zich daar niet lang over verbazen, want hij ziet iets anders dat helemaal niet kan. Tegen de achtergrond van de bebossing, aan de overkant van de open plek, steekt het donkere silhouet van een houten keet af.
Niet zomaar een keet.
De hut.
Bart meent zelfs een latente benzinelucht te ruiken. Met lood in zijn schoenen doet hij een paar stappen naar voren, hopend dat het een illusie is, een truc van het laatste licht en de bomen.
‘Geloof je er allemaal nog steeds niks van, Bart?’ Oler is naast hem komen staan, te dicht naar Barts zin. De stilte is beklemmend. Bart hoort alleen het ruisen van het bladerdek, gedruppel van regen en de rustige ademhaling van zijn oude vriend. Geen enkel ander geluid lijkt deze plek te bereiken en ook dat is vreemd, het dorp kan niet verder zijn dan een paar honderd meter.
‘Je was altijd in alles de beste, dus die hut nabouwen moet voor jou een makkie zijn geweest.’
Oler lacht. ‘Kom op Bart, je weet wel beter.’
‘En nu? Ga je me nu vertellen waarom we hierheen gelopen zijn? Wil je mij herinneren aan wat hier gebeurd is? Oude wonden openrijten?’
‘Misschien geloof je nog steeds dat ik die hut herbouwd heb, alleen om jou een loer te draaien. Tja, het had gekund. Maar geloof je ook dat ik Marcel uit de dood kan laten herrijzen?’ Oler pakt Bart bij zijn ellenboog en troont hem met zachte dwang mee. ‘Kom, laten we eens kijken hoe ver hij is met die brommer van hem.’ Bart kan niet geloven dat ze Marcel of zelfs maar de brommer gaan aantreffen, maar doodsangst nestelt zich in al zijn vaten en poriën.
Oler pakt de houten balk vast en schuift hem zijwaarts uit de beugels, met een gemak alsof het een mikadostokje is. Hij zet hem bijna eerbiedig tegen de zijwand en trekt de deur open. Het gekners van de scharnieren brengt opnieuw pijnlijke herinneringen boven in Barts bewustzijn.
Oler stapt over de drempel de hut binnen. ‘Marcel, ben jij daar?’, vraagt hij opgewekt, terwijl de duisternis hem opslokt. 

Op dat moment ziet Bart zijn kans. Hij pakt voorzichtig de balk op, wat hem nu een stuk gemakkelijker valt dan destijds. Zodra hij hem in de bochten van zijn ellebogenvast heeft, trapt hij met zijn voet de deur dicht. Net voordat die in de sponning valt, meent Bart nog even de verbaasde blik van Oler te zien. Met een vloeiende beweging laat hij de balk uit zijn armen in de beugels rollen.
Bart strekt zijn rug en kijkt omhoog, terwijl een trillende zucht aan zijn keel ontsnapt. De regendruppels die op zijn gezicht landen, vieren zijn bevrijding.
‘Krijg wat’, fluistert hij tegen de boomtoppen. Dan, harder, tegen Oler aan de andere kant van de deur: ‘Veel plezier daarbinnen, vriend. Je mag van geluk spreken dat ik geen lucifers bij me heb.’
In de hut blijft het doodstil.
De weg terug leek een fractie te duren van de boswandeling heen, in het kielzog van Oler. Wel was het harder gaan regenen en soms moeilijk in de toenemende duisternis het pad te volgen. Naarmate hij de hut en Oler verder achter zich liet, leek die krankzinnige middag langzaam uiteen te vallen en nu hij achter de voordeur zijn doorweekte jas van zijn armen stroopt en zijn schoenen op de deurmat te drogen zet, probeert Bart te geloven dat zijn verbeelding een loopje met hem moet hebben genomen. Misschien had hij het vanmiddag bij een of twee biertjes moeten laten. Hij moet zo nog wel even zijn moeder bellen om helemaal zeker te zijn dat ze oké is. Natuurlijk is zie dat, maar gewoon, voor alle zekerheid. 

Bart ruikt koffie en vanuit de woonkamer klinkt gelach en applaus van een of ander spelprogramma. Boven hoort hij het gestommel van de kinderen die elkaar de hut uit vechten; Bart is terug in de gezellige, veilige cocon van zijn gezinsleven, waar voor idioten die zich uitgeven voor denkbeeldige vriendjes geen plaats is.
Onderweg heeft hij een verhaal verzonnen om zijn afwezigheid en smerige kleding te verklaren. Hij was na de race even gaan wandelen om de alcohol uit zijn kop te waaien. Een automobilist was op een buitenweg van het asfalt gegleden en in de berm vast blijven zitten. Bart had geholpen zijn auto weer los uit de modder te krijgen.
Hij stapt de woonkamer binnen, waar Bregje op de bank The Masked Singer zit te kijken. Wanneer ze hem ziet, verkrampt ze, spert ze haar ogen open en zet ze het op een gillen.
‘Bart!’, schreeuwt ze. ‘Er is iemand in huis!’
Bart bevriest. Dat kan er maar één zijn.
‘Waar is hij schatje?’
Hij komt op haar af, maar Bregje kruipt van hem weg, naar de verste hoek van de bank.
‘Ba-hart!’ Ze barst in huilen uit.
Hij wil haar omhelzen, troosten, maar ze haalt naar hem uit en haar hand mist hem maar net.
‘Blijf van me af! Bart!, alsjeblieft, kom nu!’
Hij staat in de deuropening van de keuken. De man waarvan Bart dacht dat hij zat opgesloten in de hut, wat heet, de man waarvan hij net weer was begonnen te geloven dat hij een hersenkronkel moet zijn geweest.
‘Rustig maar liefje’, zegt Oler tegen Bregje, terwijl hij Bart met een uitgestreken grijns blijft aankijken. ‘Mijnheer heeft waarschijnlijk wat te veel gedronken en zich in de deur vergist, nietwaar?’ Hij gaat op de leuning van de bank zitten en slaat een arm om Bregje heen. Ze legt haar hoofd tegen zijn borst en lijkt wat te kalmeren.
Bart ziet het gebeuren, verlamd. Oler woelt door het haar van zijn vrouw terwijl hij opstaat.
‘Ik laat mijnheer wel even uit, schat. Ben zo terug.’
Bart balt zijn vuist en mikt op Olers gezicht. De uithaal bundelt al zijn kracht en woede, maar is geen partij voor Olers hand, die zijn pols uit de lucht pakt en Barts arm verdraait. Bart schreeuwt het uit van pijn.
‘Breg, wat is dit verdomme? Wat moet jij met die vent?’ Bart voelt tranen opkomen.
‘Hou eens op’, zegt Oler kalm. ‘Onze kinderen hoeven dit onsmakelijke tafereel niet mee te krijgen.’
Hij legt handen als graafmachines op Barts schouders, draait hem om en duwt hem voor zich uit de gang in. Bart stribbelt tegen, maar is kansloos tegen de kracht van Oler. Hij weet nog wel om te kijken en ziet nog net het rood gehuilde gezicht van zijn vrouw, waarop angst en woede elkaar verdringen.
‘Gaan jullie je tanden poetsen?’, roept Oler naar boven, terwijl hij Bart voor zich uit duwt. ‘Papa komt jullie zo onderstoppen.’
Bart opent zijn mond om de kinderen te waarschuwen, maar Olers hand omklemt zijn onderkaak, de pijn trekt door zijn ruggengraat.
Oler trekt Barts hoofd een stuk naar achteren en brengt zijn mond vlakbij zijn oor. ‘Geen zorgen,’ zegt hij gedempt, ‘ik zal goed voor ze zorgen. En lief zijn voor Bregje.’
Bart krijgt een laatste por in zijn rug en het volgende moment staat hij op zijn sokken in de stromende regen. Achter hem vliegt de deur dicht. De klap is zo hard dat de gong van de deurbel trilt. 

Ding-dong. 

 

Dit verhaal was een inzending voor de Harland Award 2025.

Inflatie? Het enige dat echt duurder wordt, is onze smaak

4 juli 2025 door Frank Jacobs Reageer

Inflatie: we klagen wat af. Minder dropjes in de zak (krimpflatie), minder roomboter in de croissantjes. Maar al jammerend en jengelend creëren we onze eigen inflatie.

Elke ochtend wandel ik een uurtje met mijn honden over het strand. Af en toe lopen we dan een stukje op met Frank en Stein. Stein is een goudbruine labradoedel, Frank is de man aan de andere kant van zijn lijn. Een aardige (hij heeft zijn naam mee), maar wat sombere kerel die de last van de wereld op zijn schouders lijkt te dragen. Vanmorgen maakte Frank zich druk om de inflatie. Het is allemaal amper nog te betalen, betoogde hij aan de hand van zijn kinderen, twee zoons van vijftien en achttien. De jongste, Jon, zit op vier havo en ging afgelopen maand op schoolreisje, een weekje Toscane. “Logies en vlucht, 750 euro: Ketsjing!” Ik vroeg hem of je er ook voor kon kiezen dat tripje over te slaan. “In principe wel, maar ja, dan is hij de enige die niet mee is, dat zou een beetje sneu zijn.”
“En ouders die simpelweg die 750 euro niet kunnen missen?”
“Als dat echt zo is, regelt school wel iets. Maar ja, ik kan me voorstellen dat dat gênant is.” Frank slingert een tennisbal richting de horizon, Stein stuift er enthousiast achteraan, op de voet gevolgd door mijn honden. “Volgend weekend heeft hij een voetbaltoernooi in Metz. Wéér tweehonderd euro. En gisteren kon ik 250 euro aftikken voor een paar nieuwe sneakers.” Frank spreidt zijn armen om zijn machteloosheid te onderstrepen. “En dat zijn nog maar de excessen.”

Apenrots

Dat weet ik, want ik zie Jon wel eens door de straat rijden op zijn fatbike, dure merkkleding aan zijn lijf en de nieuwste iPhone in zijn kontzak. Dat is niet de meest veilige plek voor zo’n duur toestel, weet ik omdat Frank eerder klaagde dat zijn zoon zo ongeveer elk jaar zijn telefoon aan gruzelementen laat vallen. Ik adviseerde Frank toen om er een rubberen beschermhoesje omheen te doen. Dat had hij gedaan, maar Jon vond dat niet cool en dus was het hoesje er net zo snel weer vanaf. Daarna opperde ik om de volgende keer dat de telefoon kapot ging, hem te vervangen door een ouder, gerefurbisht model. Frank reageerde geschokt: “Man, daar kan hij zich toch niet mee vertonen op school. Dan staat hij voor lul.” Dat heb ik nooit zo ervaren met mijn toestel van een jaar of vijf oud, maar goed, ik verdien er alleen maar de kost mee. Ik hoef er de middelbare apenrots niet mee te beklimmen. Net als die belachelijk dure merkkleding en -geurtjes (jongens van die leeftijd walmen tegenwoordig als plattelandsdames na een dagje huishoudbeurs) is een vette smartphone een ticket to the top.

Kinderen op e-bikes

De sneakers aan mijn voeten waren afgeprijsd van zeventig naar 35 euro en lopen heerlijk. Er staat alleen geen merkje op dat door een of andere influencer wordt voorgeschreven. Maar goed, ik heb dan ook een goed betaalde baan en kan niet meer bij mijn ouders aankloppen voor geld. Wanneer ik ’s morgens door de stad rijd, haal ik, bijna zestig, op mijn trapfiets hele kuddes jongeren in die in de kracht van hun leven per e-bike naar school gaan.

Ik herinnerde Frank eraan dat onze schoolreisjes niet per vliegtuig een week naar een ver buitenland, maar met de bus een dag naar Slagharen waren. Dat we niet met een e-bike van tweeduizend euro, maar op een oude trapfiets met hoogstens drie versnellingen naar school gingen. Dat we geen smartphone van duizend euro met beltegoed en databundel uit de kontzak konden laten vallen. En dat ons voetbaltoernooi niet in het buitenland, maar het naburig dorp werd gespeeld.
“Wat een shagrijnige oudemannenpraat”, wees Frank mij terecht: “De wereld is veranderd, in welke tijd leef jij?”
“Probeer jouw kinderen, alleen maar in gedachten, nou even te laten leven naar de standaard uit onze jeugd. Hoe duur zouden ze dan nog zijn?”
Het is alsof je van driehoog achter in oost-Groningen verhuist naar een villa met zwembad in de Bloemendaalse duinen en vervolgens gaat klagen over de toegenomen woonlasten.
Het enige dat echt duurder wordt, is onze smaak.

Op Slot – kort verhaal

16 januari 2025 door Frank Jacobs Reageer

Dedain omhulde haar als een wolk koppig parfum: onzichtbaar, maar onmiskenbaar – de neerbuigende toon, alsof ze haar dienstmeisje een standje gaf, de vanzelfsprekendheid waarmee ze kleding droeg waarin ieder ander zich overdressed zou voelen. Ze betaalde mij voor wat banale genoegens, maar wist desondanks een onmetelijke afstand te handhaven. Het moet die arrogantie zijn geweest die mij deed besluiten dat ik juist haar meer afhandig zou maken dan mijn gebruikelijke honorarium. De minachtende blik terwijl ze het losgeld overhandigde, was het laatste dat ik ooit van haar gezien dacht te hebben.

Maar nu, vijf jaar later, boren haar ogen zich opnieuw in de mijne en ditmaal ben ík de pineut. Naast mij zit mijn nieuwe liefde, haar dochter, die deze kerstavond heeft gekozen om mij aan haar ouders voor te stellen. Sabines vlinderachtige blijdschap staat in schril contrast met het etherische gif dat tussen haar moeder en mij hangt. Haar vader, op het oog een bezadigd man, lijkt aan te voelen dat er iets speelt en ontziet zijn vrouw. Een goed huwelijk is weten welke trede van de trap kraakt, maar ik begrijp niet waar mijn rol in dat goede huwelijk zou moeten passen. Zelf doe ik verwoede pogingen te doen alsof ik niet zojuist ontdekt heb dat mijn aanstaande schoonmoeder de vrouw is die ik ooit bediende met wat ze bij mijn aanstaande schoonvader ontbeerde. Ergens aan de rand van mijn bewustzijn zweeft de gedachte dat het onlogisch zou zijn dat ze de gierton, waar ze destijds zo veel voor betaalde om hem gesloten te houden, nu over tafel uit zou gieten.
Een hand knijpt in mijn knie, mijn hart slaat een slag over. Sabine schenkt me een gelukzalige glimlach. Ik lach terug, maar het kan niet veel meer zijn dan een geforceerde grimas. Snel kijk ik weer voor me uit, waar ik Joyces ogen, die tussen de kaarsen door pijlen op mij af schieten, niet kan negeren. Ik verdraag haar blikken amper en probeer door het raam naar buiten te vluchten, maar de weerspiegeling van ons kerstdiner is sterker dan de veilige duisternis op straat, waarvan de geruststelling tussen mijn vingers door glipt op het moment dat ze de stilte verbreekt.
“Rutger”, krult ze haar lippen rond mijn naam, terwijl ze haar ellenbogen op tafel plant en haar kin op haar ineengevouwen vingers vlijt.



“Mevrouw?” De tijd dat ik haar – hijgend in haar oor – bij de voornaam moest noemen, ligt ver achter ons. Ze antwoordt in stilzwijgen, met niets dan licht samengeknepen ogen. Haar man snijdt een stukje van zijn vlees, dat hij kort inspecteert alvorens het in zijn mond te stoppen. Ik vrees de woorden die niet lang meer op zich laten wachten, leg mijn servet op tafel en mompel iets over het toilet, waarna ik quasi-kalm de kamer uit loop. Ik heb geen idee waar het toilet is, maar de voordeur weet ik feilloos te vinden. Ik druk de klink omlaag, snakkend naar frisse lucht.
Tevergeefs. De deur zit op slot.

Longlist Querido Academy schrijfwedstrijd 2025.


Why Nuclear Energy is a Very Bad Idea

27 november 2024 door Frank Jacobs Reageer

kerncentrale borssele frank jacobsNuclear energy has suddenly become relevant again due to the energy crisis. A monster from the previous century is rearing its ugly head again; apparently, we have already forgotten that atomic technology in human hands is equivalent to a loaded revolver in a toddler’s hands. Nuclear energy is like taking out a loan of thirty million euros on a modal income, paying back three thousand, and cheerfully passing the remaining debt on to your descendants.

Nuclear energy: I’ll give you a few good reasons why we should say goodbye to it very quickly. To begin with, recent history has taught us that things can go terribly wrong. Due to human failure, disaster struck in Chernobyl in 1986, in 2011 an earthquake caused Fukushima, and ignorance combined with hasty action led to an almost mega-disaster in Windscale in 1957, later renamed Sellafield. The International Atomic Energy Agency (IAEA) has registered fourteen incidents in the past 65 years, ten of which were serious enough to be qualified as accidents. The life-threatening situation in the Ukrainian Zaporizhzhia proves how risky nuclear energy is in this unstable world. You can bet that accidents with nuclear power plants will continue to happen in the future, especially considering that nuclear technology will increasingly be used in less wealthy and organized countries where they cannot or do not take safety and maintenance seriously, thus increasing the chance of nuclear disasters.

<script async src=”//pagead2.googlesyndication.com/pagead/js/adsbygoogle.js”></script>
<ins class=”adsbygoogle” style=”display: block; text-align: center;” data-ad-layout=”in-article” data-ad-format=”fluid” data-ad-client=”ca-pub-1285622645042453″ data-ad-slot=”8842128382″></ins>
<script>
(adsbygoogle = window.adsbygoogle || []).push({});
</script>

Nuclear Weapons Nuclear energy is excellently suited for weapons of mass destruction. During the height of the Cold War, the US and Soviet Union alone had enough material to destroy our entire planet five hundred (500!) times. I sometimes hear the argument that peaceful nuclear energy and nuclear weapons are completely different things, but that’s nonsense. Playing the piano and organ are also two different disciplines, but if you master one instrument well, you’ll get quite far on the other. In fact, the world’s first large-scale nuclear power plant, Calder Hall in Sellafield, England, was essentially a cover for producing plutonium for the hydrogen bomb and a charm offensive: ‘Electricity too cheap to meter’ was the misleading credo.

Radioactive Garbage Nuclear energy may be CO2-neutral, but it produces waste that makes CO2 look like nothing. We’ve only been messing with nuclear energy for about eighty years, and already there are piles of radioactive garbage deep underground and/or in concrete bunkers in various places around the world that in some cases, such as in Carlsbad, New Mexico, will remain deadly for the next 250,000 years. Note, a quarter of a million years: that’s almost as long as humans have existed. It’s safely stored, nuclear energy proponents say, but what is safe? We have no idea what the world will look like in a thousand years, let alone in 250,000 years. How can you claim something is safe in a future you have no clue about? The storage sites for this deadly mess will remain intact for up to a thousand years, nuclear energy supporters claim. I haven’t found an answer about what happens in the following 249,000 years.

Asocial and Criminal Therefore, nuclear energy is the same as taking out a gigantic loan that you already know your descendants will have to pay for until the end of time. It is extremely selfish, asocial, and therefore criminal. And actually, we already know this, but we are so addicted to our current level of prosperity and so eager for even more that we completely don’t care. After us, the flood.

Waarom de flitsmarathon onzin en bangmakerij is

6 augustus 2024 door Frank Jacobs Reageer

Multanova radar foto Frank Jacobs

Elke keer als de komkommers rijp zijn, komt hij weer uit de lucht vallen: de flitsmarathon. Of beter gezegd: het persbericht waarmee die flitsmarathon door de vage website Roadpol wordt aangekondigd. In werkelijkheid komt er nooit een flitsmarathon, om de eenvoudige reden dat een flitsmarathon niet kan. Tenminste, tenzij er politiekorpsen zijn die de rest van het jaar bewust belastinggeld verbranden.

Dat zit zo: om te flitsen heb je twee dingen nodig: een radarsetje en een gediplomeerd, gekwalificeerd mens. Zo’n setje kost algauw anderhalve ton en dat wordt dus optimaal ingezet, het hele jaar door. Immers, in de kast kost het geld en in de berm levert het geld op.


Sociale werkplaats

Hetzelfde geldt voor de mens: elk korps heeft een bepaald aantal mensen die zijn opgeleid om dit werk te doen. Die zitten de rest van het jaar niet achter de geraniums, mogen we tenminste hopen. Je kunt niet even een stel mensen van de sociale werkplaats lenen om zo’n flitsmarathon te bemannen. Nou ja, technisch gesproken wel, maar wettelijk niet.

Ergo: áls er zoiets is als een flitsmarathon, dan zijn er politiekorpsen die buitengewoon inefficiënt werken. Dat mogen we toch niet hopen?

Om te flitsen is gekwalificeerd personeel nodig.
  • 1
  • 2
  • 3
  • …
  • 19
  • Volgende pagina »

Over Frank Jacobs

Frank Jacobs (1966) is crossmediaal en multimediaal journalist en schrijft, fotografeert en filmt voor onder meer AutoWeek, NU.nl, Quest Historie, GTO Magazine en Lifestyle Almere. Daarnaast presenteert hij autoprogramma’s op AutoWeek TV en voorheen Discovery Channel.

Hij studeerde automobiel management en Frans en woonde en werkte jarenlang afwisselend in Frankrijk, Engeland, Duitsland en Spanje.

Lees meer over Frank Jacobs.

Zoeken

  • Why Nuclear Energy is a Very Bad Idea
  • Waarom de flitsmarathon onzin en bangmakerij is
Copyright 2015 | Frank Jacobs | KvK Almere 62518755