Frank Jacobs

journalist, schrijver en autojournalist

  • Artikelen
    • De Naardense moordzaak
    • Lost in Transition: energietransitie, maar dan?
    • Karin Slaughter over Tesla
    • Dodenvlucht Neptune 212 wellicht diefstal
    • Neptune 212: dodenvlucht boven Katwijk
    • Dakota 079: de weggemoffelde vliegramp van Biak
    • Het duistere verleden van BMW-familie Quandt
    • Religieuze moord op zee: het geheim van de KW 171
    • Ferdinand Piëch, de geniale megalomaan van Volkswagen
    • Volkswagen: familievetes en stoeltjewip
    • De verdwenen Porsche van James Dean
    • Terugkeer van een dode baron (2)
    • Terugkeer van een dode baron
    • Portfolio
  • Columns
    • Waarom de flitsmarathon onzin en bangmakerij is
    • Dieren mogen worden doodgereden, vindt de Provincie Zuid-Holland
    • Waarom kernenergie een heel slecht idee is
    • Armoede? Je hebt geen idee wat dat is
    • #NederlandVleesland
    • Omgekeerde vlaggen en boerenzakdoeken: zo herken je de simpelen van geest
    • Armoede los je zo op
    • Veevervoer? Complimenten aan Schiphol!
    • Eva Vlaardingerbroek, ga dansjes doen op TikTok
    • Paybacktime
    • Franse probleemjongeren welkom in Nederland
    • Windmolenparken op zee
    • Zijn katten invasieve exoten?
    • Zijn wielrenners asociaal?
    • Second Love: daten voor proleten
    • NewSpace: hoogplassen voor miljardairs
    • Corona: de aarde haalt opgelucht adem
    • Corona: een lesje in bescheidenheid
    • Corona: de zeven pluspunten
    • 2019 en mijn ingebeelde vriend
    • Zwarte Piet? Zand erover
    • De leugens van Koos Spee
    • Foei Halsema!
    • Een dagje aan het strand
    • De mysterieuze verdwijning van Anja Schaap: wat houdt de politie achter?
    • Wannabe-journalisten
    • Thierry Baudet: omfloerste poep
    • Arbeidsparticipatie: een pakketje schroot met een dun laagje chroom
    • Like me of zwijg
    • Vuurwerk? Rot op!
    • Lisette Vroege slachtoffer orgaanhandel?
    • Waarom Schiphol op zee bezopen is
    • Duitsland huichelland
    • Referendum: onderbuikdenkers aan de macht
    • Social influencers
    • Coen was een held
    • Aangifte doen is voor mietjes
    • 2018, het jaar van het non-nieuws
    • Wanneer wordt Lisette Vroege gevonden?
    • Waarom een dierenleven meer waard is dan een mensenleven
    • Boom!
    • Brexit? We still love you!
    • De opkomst van de tekschrijver, de ondergang van de journalist
    • Autojournalist
    • Dit is er mis met grote organisaties
    • Plastic tasjes
    • De armoedegolf van 2035: Zelfstandigen Zonder Perspectief
    • Verlengstuk
    • Vel d’Hiv: hoe bootvluchtelingen je vakantie bederven
    • Terug in je kist!
  • Korte verhalen
    • Op Slot – kort verhaal
    • De Laatste Pomp – kort verhaal
    • Ik deel hier de lakens uit – kort verhaal
    • Broedertwist – kort verhaal
  • Foto
    • Photography
  • Video
    • Documentaires
    • Autoweek TV
    • Fifth Gear Europe
    • Tuf-tuf Club op TV
  • Contact
    • Over Frank
    • Contact
    • English
    • Français
    • Deutsch
  • Email
  • Facebook
  • Google+
  • Instagram
  • LinkedIn
  • Twitter
  • YouTube
Contact

Oler Spinazie – kort verhaal

29 maart 2026 door Frank Jacobs Reageer

Ding-dong.
Geïrriteerd kijkt Bart op van de race. Wie kan dat zijn? Bregje is met de meiden de stad in, de kinderen zijn bij vriendjes, Hertog Jan is koud en Max hijgt Lewis in de nek. Bart schuift een stukje naar achter op de bank, zodat hij van buiten niet zichtbaar is. Kansloos; de televisie is dat wel.
Ding-dong.
Verdomme, nog een drammer ook. Bart hijst zich uit de bank, vastbesloten de ongewenste bezoeker te hebben afgepoeierd voordat Verstappen Hamilton zijn bekomst kan geven. Hij schuifelt naar de voordeur, doet open en staat oog in oog met een breedgebouwde man van ongeveer zijn leeftijd met een dikke bos zwarte krullen. Enkele ogenblikken kijken de mannen elkaar bevroren aan, dan breekt een glimlach op het gezicht van de bezoeker door.
‘Bart, jongen, wat leuk jou eindelijk weer eens te zien!’
Bart kijkt terug, wezenloos. Hertog Jan is al in de man. ‘Hebben wij samen geknikkerd?’
De vreemdeling zet zijn handen in zijn zij en slaat theatraal zijn ogen ten hemel. ‘Bart, ik weet dat ik ouder geworden ben, maar zó erg is het toch ook weer niet? Ik ben Oler. Oler Spinazie.’
Het kwartje heeft even tijd nodig, maar dan valt het en een onbestemd gevoel trekt langs Barts ruggengraat. Niemand anders dan hijzelf, zijn moeder en zijn broer weten überhaupt van Oler Spinazie, maar toch noemt deze man die naam. Zelfs Bregje heeft hij nooit over Oler verteld. Nog verontrustender: er breekt een vleugje herkenning door het ijs.
‘Ik heb geen idee waar je het over hebt.’
De vreemdeling schudt meewarig zijn hoofd. ‘Kom op, Bart, ik zie dat je me herkent. Je moeder deed ook al alsof ze me niet kende.’
‘Mijn moeder? Wat moet je bij..’
Mag ik binnenkomen?’ Ostentatief drukt de man opnieuw op de bel.
Ding-dong.
‘Wat wil je van me?’
‘Laat me binnen en ik leg het je uit.’
Bart begint nu echt kwaad te worden. ‘Verdomd dat ik je niet binnenlaat. Sodemieter op en ga een ander lastigvallen. Goedemiddag.’ Hij duwt de voordeur dicht, maar de vreemdeling zet zijn hand ertegen en drukt hem terug met een kracht die Bart beangstigt.
‘Ik ben altijd sterker, Bart,’ zegt de man met een minzame glimlach die geen spoor van inspanning verraadt. ‘Dat was jouw eigen idee.’
‘Moet ik de politie bellen?’ Bart laat de deur los, zich ervan bewust dat hij het met brute kracht niet zal winnen van deze gek.
‘Ja hoor, dat mag je doen, ik zal je niet tegenhouden. Ik denk alleen dat die hun handen vol hebben aan jouw moeder.’ De man grijnst zelfgenoegzaam. ‘Die wilde mij ook wegsturen.’
Bart draait zich om en gaat terug naar de woonkamer. Hij pakt zijn telefoon van de stoelleuning en belt het nummer van zijn moeder. De telefoon gaat over en blijft overgaan. Bart kijkt verwonderd naar zijn toestel. Zijn moeder neemt altijd op, echt altijd. Hij legt op om het nog eens te proberen, maar dan voelt Bart een hand op de zijne, die zijn smartphone met sterke, lenige vingers overneemt. De vreemdeling  heeft zichzelf binnengelaten en legt Barts telefoon op de salontafel. Bart reikt er naar, maar de vreemdeling pakt hem bij zijn pols en duwt hem terug, langzaam, maar dwingend, met een fenomenale kracht.
‘Bespaar je de moeite, Bart. Ze neemt nooit meer op. Ik denk dat je nu wel begrijpt dat je beter even kunt luisteren naar wat ik je te zeggen heb.’ 

Het was op Barts achtste verjaardag dat Oler Spinazie op zijn pad kwam. Bart was destijds een teruggetrokken, verlegen jongetje en had geen enkele vriend. Zijn moeder besloot dat daar maar eens verandering in moest komen en organiseerde een feestje voor de verjaardag van haar zoon. Ze schreef uitnodigingen voor de vier kinderen wier namen Bart nog wel eens noemde, stelde goedgevulde snoepzakken samen en reserveerde zes plekken voor de woensdagmiddagvoorstelling van The Flintstones. De dagen voorafgaand aan die verjaardag waren voor Bart spannender dan de opmaat naar Sinterklaas. Vriendjes op zijn verjaardag, net als bij andere kinderen; hij vond het doodeng, maar tegelijkertijd vreselijk opwindend. 

Niemand kwam opdagen die woensdagmiddag en toen zijn moeder voorstelde om dan maar lekker met z’n tweeën naar de film te gaan, brak Bart. Snikkend stampte hij de trap op en smeet hij de deur van zijn kamer achter zich dicht. Zijn moeder rende hem achterna om haar kind te kalmeren, maar Bart was ontroostbaar.
Tegen beter weten in begon ze rond zessen toch maar aan de pannenkoeken, geen moment gelovend dat haar oudste zoon er ook maar één van zou eten. Nog voordat de eerste gaar was, stond Bart plotseling achter haar. Zijn ogen waren rood van het huilen, maar glinsterden als de zon na een stortbui. Haar hart maakte een sprongetje, ze schoof zijn stoel naar achteren en haastte zich limonade voor haar zoon in te schenken.
Toen ze hem zijn eerste pannenkoek voorzette, een dikke laag poedersuiker met 8 jaar! van stroop erop, verbrak Bart zijn zwijgen.
‘Oler wil er ook een, mam.’
‘Wie?’
‘Oler. Hij lust ook wel zo’n pannenkoek.’
Moeder goot de tweede lepel beslag in de pan. ‘Wie is Oler?’
Bart keek niet op van zijn pannenkoek en antwoordde met volle mond: ‘Oler is mijn vriend. Hij wilde wél mee naar de film, maar jij hebt hem niet gevraagd.’
Brigit besloot Barts onvoorziene opleving niet te verpesten en haalde haar schouders op, terwijl ze de pannenkoek behendig in de lucht omkeerde. ‘Sorry Oler. Deze is voor jou, ik maak hem extra dik.’  Ze pakte een tweede bord en bestek uit de kast en zette die op de keukentafel, recht tegenover Bart, waarna ze zich weer omdraaide om de pannenkoek voor Oler van het vuur te halen.
‘Wil jij ook poedersuiker én stroop, Oler?’ vroeg ze.
‘Uh-huh,’ antwoordde hij met Barts stem.
Ze serveerde de lege plek tegenover haar zoon een pannenkoek en moest denken aan de wortel die ze elk jaar in Barts schoen deed voor het paard van Sinterklaas. Daar kon ze de volgende dag tenminste nog een salade van maken. Enfin, ze had voor zes kinderen ingekocht, dus wat zou het ook.
‘Wat is Olers achternaam?’
‘Spinazie,’ antwoordde Bart droog.
Ze was blij dat ze met haar rug naar hem toe stond, want ze kon haar lach niet onderdrukken, maar wilde zijn breekbare opklaring niet verpesten.
‘Oler Spinazie? Dat is een bijzondere naam,’ zei ze, zodra ze zich had hervat. 

Oler Spinazie bleek een blijvertje, maar niet echt een welkom blijvertje. Bart leefde ervan op, maar zijn schaarse contacten met andere kinderen werden er nog minder door. Hij sloot zich urenlang op in zijn kamer en als Brigit achter de deur stond, hoorde ze Bart hele gesprekken met Oler voeren. Het deed haar denken aan dat jochie in die horrorklassieker The Shining, Danny Torrance met zijn denkbeeldige vriendje Tony, en die associatie vond ze doodeng. Bart vertelde Oler over zijn Thunderbirds en technisch Lego en soms speelden ze godbetert Twister.
Olers aanwezigheid bleef niet beperkt tot Barts kamer, ook aan tafel was Oler Spinazie vaak onderwerp van gesprek. Wanneer zijn jongere broertje Joost met een goed rapport thuiskwam, dan snoof Bart minachtend dat Oler veel betere cijfers haalde. Als zijn moeders vriend, die een autobedrijf had, met een snelle sportwagen langskwam en Joost imponeerde door te vertellen hoe hard die auto kon, schamperde Bart dat Oler op zijn fiets nog sneller reed. Aanvankelijk liet Brigit het allemaal zijn beloop omdat Bart sinds Olers komst wat gelukkiger en zelfverzekerder leek, maar na een half jaar “Oler-kan-alles-beter” begon het gedoe haar te irriteren. 

Op een avond, net voordat Joost moest gaan slapen, stond Bart stokstijf in de deuropening van zijn kamer naar iets vlak boven Joosts hoofd te staren. Joost vroeg herhaaldelijk aan Bart waar hij naar keek, maar Bart zweeg en dat maakte Joost steeds nerveuzer. Na een keer of vier geen antwoord te hebben gegeven zei Bart uit het niets: ‘Oler. Hij zit op je hoofd.’ Joost, die toch al zo bang in het donker was, gilde het uit en sliep de weken die volgden alleen nog met het licht aan.
Voor Brigit was dat incident de laatste druppel en ze verbood Bart ooit nog met of zelfs maar over Oler Spinazie te praten. Ondanks zijn leeftijd wist Bart precies wanneer hij zijn moeder beter kon gehoorzamen. Uit zijn hoofd kon ze Oler niet verbannen, maar naarmate de maanden vorderden zonder monologen met Oler Spinazie, verdween Barts ingebeelde vriendje steeds verder, terug naar de verre planeet waar hij volgens Bart vandaan was gekomen, totdat hij volledig uit Barts geest was verdwenen. 

‘Je hebt me bij het grofvuil gezet.’ Oler heeft de televisie uitgeschakeld en zit in de leunstoel ernaast. Hij laat de afstandsbediening tussen duim en wijsvinger wiebelen terwijl hij Bart indringend aankijkt.
Bart staat naast de bank, zijn armen obstinaat over elkaar geslagen, amper gelovend dat dit gesprek plaatsvindt.
‘Wat dacht je? Die onzin heeft lang genoeg geduurd? Ik heb Oler Spinazie niet meer nodig?’
Barts gedachten krioelen als wormen in een kuil, zoekend naar een wie en waarom.
‘Nou?’ Oler tikt met de afstandsbediening een trage driekwartsmaat in de palm van zijn hand.
Nog steeds doet Bart er het zwijgen toe.
‘Dan zal ik het je zelf vertellen,’ gooit Oler het over een andere boeg. ‘Je was een lulletje rozenwater. Je wilde mij niet kwijt, maar je moest van mama. En wat van mama moest, dat deed Bartje altijd braaf.’ Oler is gestopt met trommelen. ‘Vertel eens, Bart, dans je net zo braaf naar de pijpen van die Bregje van je? Ze lijkt me een pittig wijffie.’ Hij likt zijn bovenlip en grijnst wellustig.
Bart zet een stap dichterbij Oler, zodat hij goed op hem neer kan kijken. ‘Wil jij je waffel even houden?’
Oler spreidt zijn armen in een verzoenend gebaar. ‘Goed, goed. Over Bregje hebben we het later. Eerst mammie. Ze neemt altijd op, hè? Waarom net nu niet?’
Bart ploft neer op de bank. ‘Oké dan. Wie ben je en wat wil je van me?’
‘Wie ik ben heb ik je al verteld.’
‘Hou een ander voor de gek. Oler Spinazie was heel lang geleden mijn ingebeelde vriendje. Hoor je? Ingebeeld. Goed, ik vind het knap van je dat je daar achter bent gekomen en ik wil ook heel graag weten hoe. Maar ingebeeld blijft ingebeeld.’
Dan zegt Oler iets dat Bart de koude rillingen bezorgt en zijn hart doet overslaan.
‘Dat akkefietje met Marcel, was dat ook ingebeeld?’ 

In de vroege zomer van 1992 ving Bart op school een gesprek op van een groepje populaire jongens van de hoogste klas. Het was middagpauze en Bart zat in zijn eentje zijn boterhammen te eten, toen de jongens met veel kabaal de tafel achter hem innamen. Bart wilde net opstaan om weg te zijn voordat ze hem opmerkten en hij de pineut zou zijn, toen ze hun stemmen lieten dalen. Barts nieuwsgierigheid won het van zijn angst en hij keek de andere kant uit, terwijl hij zijn oren spitste.
Een van de jongens vertelde dat hij een kapotte brommer had gevonden en die naar de hut had gebracht, waar ze hem konden opknappen. Het was geen Tomos of Zündapp, zei hij, maar zo’n suffe Puch Maxi, maar als ze hem weer aan de praat kregen, konden ze er wel mee gaan crossen. Ze zouden na school naar de hut gaan om de buit te bekijken, het was Lex’ beurt om een baal shag mee te brengen.
Een hut in het bos waar je met je vrienden aan brommers sleutelt en sigaretten rookt: het was een privilege dat voor jongens als Bart onbereikbaar bleef, maar juist daarom voelde hij een vreemde sensatie. Hoe spannend zou het zijn als hij die hut vond en er eens ging rondneuzen? Ze volgen durfde Bart niet, maar een week later kreeg hij onverwacht hulp van het toeval. 

Maandagmiddag, onderweg van school naar huis, aan de rand van het dorp, zag hij hoe een eind voor hem Marcel, de gemeenste rotzak van het kwartet, op zijn BMX een bospad in reed. Toen hij een paar dagen later de vier op hun vaste hangplek bij het winkelcentrum zag zitten, achtte Bart de kust veilig en zijn kans schoon. Hij haastte zich naar het bospad, waar hij zijn fiets aan een boom ketende en het bos in liep.
Hij had een minuut of tien gelopen toen het bladerdek voor hem uiteen week, een klein weiland onthullend met aan de rand een krakkemikkig houten schuurtje met golfplaten dak. Het had geen vensters, alleen een deur die door een dwarsbalk in hengsels dicht werd gehouden. Ernaast lag een hoopje colablikjes, chipszakken en ander afval dat typisch was voor klootzakjes van de hoogste klas. Bart bleef staan, keek een paar keer om zich heen om zich ervan te verzekeren dat hij alleen was en liep toen met bonkend hart op de hut af.
De balk zag er zwaar uit en zat ook nog eens zo vast dat Bart al vermoedde dat ergens nog een slot zat, toen hij ineens meegaf. Bart tilde een uiteinde omhoog, waardoor de balk zijwaarts uit de tweede beugel schoof en met een doffe plof in het zand belandde. Knersend kwam de deur een stukje uit zijn sponning, toegang gevend tot een wereld waar angstige jongetjes als Bart niets te zoeken hadden. Hij trilde over zijn hele lichaam, maar stelde zichzelf enigszins gerust met de gedachte dat er niemand binnen kon zijn; de hut was immers vanaf buitenaf gesloten geweest. Voorzichtig trok hij de deur nog wat verder open; opnieuw piepen van de roestige scharnieren. Bedompte zomerhitte en een benzinelucht kwamen hem tegemoet. Binnen was het donker, op enkele strepen zonlicht na die vanuit kieren tussen de planken kaarsrechte banen door het stof schoten.
Het eerste wat Bart zag toen zijn ogen aan het duister begonnen te wennen was de brommer die rechts tegen de wand leunde. Bingo! Vervolgens ontwaarde hij enkele jerrycans en een kist vol rommelig, roestig gereedschap. Aan de houten wand waren posters geprikt. De selectie van Ajax, een Popfoto-centerfold van Guns ’n Roses, een mevrouw met openhangende blouse die haar duimen onder haar onderbroek haakte terwijl ze in de lucht zoende. Bart zag haar borsten en keek opgelaten weg. Het voorwiel van de brommer was gedemonteerd en stond ernaast tegen de wand, op een geïmproviseerd tafeltje lag een geribbeld metalen blok dat Bart meende te herkennen als een deel van de motor.
‘Je hebt zeker geen suiker bij je?’
‘Suiker?’, vroeg Bart hardop. ‘Als je suiker in de tank gooit, kunnen ze sleutelen tot ze een ons wegen, maar dan zal die klotebrommer nooit meer lopen.’
‘Ik heb geen suiker.’ Bart hurkte bij de gereedschapskist en rommelde wat tussen de steeksleutels, schroevendraaiers en tangen, zonder te weten wat hij zocht. Hij viste er een klauwhamer uit, keek er even naar en sloeg hem toen met alle kracht die hij in zich had tegen de tank van de brommer. Het gekraak sneed door de stilte terwijl het dof-rode kunststof barstte. Bart vond het heerlijk, hief de hamer opnieuw en sloeg het glas van de koplamp aan scherven.
Hij richtte zijn aandacht op de uitlaat, die er verroest genoeg uitzag om hem met één welgemikte klap af te breken, toen hij de voetstappen buiten meende te horen. Ondanks de gesmoorde hitte in de hut voelde hij kippenvel opkomen. Hij dook achter het tafeltje, dat veel te klein was om hem te verbergen, en zag hoe de deur openging en een gestalte prijsgaf.
Het was Marcel. Bart zag alleen zijn silhouet in het tegenlicht, maar die gedrongen, altijd dreigende houding herkende hij uit duizenden. Het was een kwestie van seconden voordat Marcels ogen, net als die van hem een paar minuten geleden, aan het donker gewend zouden zijn en hij Bart zou zien, daar achter dat tafeltje, de hamer in de hand waarmee hij de brommer aan stukken had geslagen.
Marcel keek om zich heen. ‘Bart-baby? Ik weet dat je hier zit.’
Het gesuis van zijn bloed in zijn oren was allesoverheersend.
‘Bart? Ik heb je fiets zien staan dus ik weet dat jij hier hebt ingebroken. Kom maar tevoorschijn.’
Marcel keek om zich heen, zoekend, tot zijn blik op Bart bleef hangen. ‘Kijk, daar zit je, lulletje. Kom maar hier, dan geef ik je een pak rammel.’ Zijn ogen waren inmiddels gewend aan het donker en bleven op de brommer hangen. ‘Godverdomme, heb jíj dat gedaan?’ Hij wachtte het antwoord niet af. ‘Daar zul voor boeten, Bart-baby.’
Bart kromp verder ineen en verwachtte dat Marcel op hem af zou komen, maar dat gebeurde niet. In plaats daarvan liep hij terug naar buiten, waarna hij de deur sloot. Barts opluchting was van korte duur, want meteen daarna hoorde hij een schurend geluid, dat maar één ding kon betekenen: Marcel had de balk voor de deur geschoven.
Met toenemend afgrijzen hoorde Bart hoe Marcels voetstappen zich verwijderden. Na enkele minuten durfde hij zich eindelijk te verroeren, stond hij op en duwde hij tegen beter weten tegen de deur. Die gaf geen millimeter mee. Bart schopte ertegen, tevergeefs. Hij nam een aanloop en liet zich met zijn volle gewicht zijwaarts tegen de deur aan vallen. Kansloos.
Bart was opgesloten en totdat iemand hem bevrijdde, bleef hij dat.
Hij had geen idee hoe lang hij, soms schreeuwend, soms huilend, tegen de houten wand had staan schoppen. De warmte en bedwelmende benzinelucht maakten hem duizelig en Bart liet zich op de grond zakken, waar hij zijn hoofd op zijn knieën legde en uiteindelijk snikkend indommelde. De vrije wereld was maar een paar centimeter achter hem, maar leek verder dan het universum van Oler.
‘Bart?’
Bart schrok wakker, opende zijn ogen en had een seconde nodig om te beseffen waar hij was. Hij veegde het opdrogende snot van zijn neus en lippen.
‘Oler?’
Buiten floten de vogels, binnen leek het iets minder warm te worden.
‘Dat klotejoch komt eraan’, zei Oler op gedempte toon.
‘Ja, ik hoor het ook,’ fluisterde Bart.
‘Pak die lucifers.’
‘Stil.’
Geritsel van voetstappen in het gras. Steeds luider, steeds dichterbij. De voetstappen hielden stil bij de deur. Het schurende geluid van hout op ijzer. Een bonk, een plof. Piepende scharnieren terwijl de deur open draaide en een strook licht naar binnen liet. Bart kneep zijn ogen tot spleetjes.
Marcel moest aan het donker wennen, Bart aan het licht. Hij deinsde nog wat verder naar achteren en stootte daarbij met zijn schouder tegen een van de jerrycans, waardoor die omviel. De dop had niet goed vastgezeten – wat de benzinelucht verklaarde – en de brandstof gutste over de houten vloer. Marcel zag het en schoot vloekend naar voren om te redden wat er van zijn kostbare goedje te redden viel. Bart zag zijn kans waar en glipte achter Marcel langs naar de deur, de lucifers mee grissend, zoals Oler heb had bevolen. Hij vloog naar buiten, duwde de deur weer dicht, tilde de balk op met alle kracht die hij kon opbrengen en liet hem in de beugels vallen.
Marcel was opgesloten en dat zou Bart later beslist op een pak slaag komen te staan, maar op dit moment gaf hem dat de voorsprong die hij nodig had om te ontsnappen aan die veel grotere en snellere jongen. Bart wilde maar één ding: zo gauw mogelijk naar huis en deze ellende vergeten. Hij zette het op een lopen.
‘Stop! Ga terug.’
Bart hield in. ‘Waarom?’
‘Ze slaan je helemaal verrot.’
Binnen in het hok was Marcel tegen de deur aan het timmeren en hij schreeuwde dingen die Olers waarschuwing van elke twijfel ontdeden. ~
‘Moet ik hem weer vrijlaten? Dan gaat hij me nu slaan.’
‘Nee sufferd. Waarom denk je dat ik je die lucifers heb laten pakken?’~
Bart stond verstijfd te kijken hoe de deur in zijn sponning trilde onder het geweld van Marcel. Geweld dat zich tegen hem zou keren zodra Marcel wist te ontsnappen.
‘Hup-hup, gooi een lucifer tussen die kieren door. Of wil je een bloedneus en een blauw oog?’
‘Dat mag niet. Dan brandt Marcel zich.’
‘Onzin. Hij komt er best uit. Maar hij moet de brand eerst blussen en dan ben jij al weg. Hup Bart, afstrijken die lucifer en door die kier rechts. Ik beloof je: dan durven ze je nooit meer iets te doen.’
Bart schoof het doosje open, haalde er een lucifer uit en liep terug naar de hut, nog steeds twijfelend. Met vuur spelen had zijn moeder hem ten strengste verboden.
‘Dit is geen spelen, Bart. Het is ernst.’
‘Klootzak! Als ik je te pakken krijg, schop ik je babyface verrot!’ Opnieuw gebonk tegen de deur en Bart zag hoe de spijkers die de scharnieren vasthouden wat meegaven.
Hij streek de lucifer af en gooide hem door de kier die Oler had aangewezen. Het maakte een sinister woef!-geluid aan de andere kant van de houten wand en Bart deinsde geschrokken terug.
Marcel leek er ook van te schrikken: ‘Wat doe je nou gek?! Laat me eruit!’
‘Ren, Bart. Ren!’ Olers stem bulderde door Barts hoofd. Hij draaide zich om en rende het bos in, terug naar zijn fiets. 

‘Begrijpen we elkaar? Marcel verbrandde levend doordat jij een jerrycan benzine omstootte, hem opsloot en een brandende lucifer naar binnen gooide. De hitte was afschuwelijk, zijn huid liet los en verschroeide terwijl jij hem had kunnen redden, maar liever je eigen hachje redde en naar je fiets rende. Je bent een moordenaar, Bart.’
‘Jíj wilde dat ik hem opsloot, jíj zei dat ik die lucifer naar binnen moest gooien.’
‘Ik? Ik ben toch maar ingebeeld? Wat lul je nou?’
‘Dus wat denk je? Naar de politie gaan en je voorstellen als ingebeeld vriendje van?’
‘Nee hoor. Wat heb ik daaraan?’
‘Wat wil je dan van me?’
Oler laat zijn stem een octaaf dalen. ’Genoegdoening. Jij hebt mij geëlimineerd. Ik wil afrekenen.’ De man komt omhoog uit de stoel en wenkt Bart. ‘Meekomen, jij en ik gaan een oude plek opzoeken, down Memory Lane.’
‘En als ik niet meekom?’
‘Dan overkomt Bregje en jullie kinderen hetzelfde als Marcel. Dan zul je moeten wennen aan het idee dat je vrouw en kinderen is overkomen wat je ooit Marcel hebt aangedaan. Maar je hoeft niet bang te zijn. Zolang je doet wat ik zeg, zal ik jou geen haar krenken. Jou niet. We zijn oude vrienden, toch?’
‘Je blijft met je poten van ze af.’
‘Dat heb jij zelf in de hand. Zo eenvoudig is het.’
Bart weert een tak af die van Olers schouder zwiept. Ze moeten nu zo’n tien minuten onderweg zijn, maar het lijken uren. Oler heeft zijn kraag opgeslagen tegen de waterkoude en vormt een rustig wandelend silhouet, dat bijna iedereen had kunnen zijn. Bart voelt bij elke stap hoe zijn zolen zich los trekken uit de zompige modder van het bospad waar hij bijna dertig jaar geleden rende, vluchtend voor zijn zelf gecreëerde trauma. 

Het gegil van Marcel was destijds met elke stap verder verstomd, maar echode nog jaren na in zijn hoofd en zijn dromen, om uiteindelijk te smoren in het volwassen leven van Bart. De middelbare school, universiteit, baan, Bregje, kinderen; de nachtmerries bleken ten langen leste niet bestand tegen alle veranderingen in Barts leven.
Gepakt werd hij nooit. Marcel had rokend aan die brommer zitten knutselen en met zijn sigaret de benzinedamp tot ontsteking gebracht, aldus de conclusie van het politieonderzoek. Bart had zich vaak afgevraagd waarom ze niet hadden ontdekt dat de hut van buitenaf afgesloten was, maar vermoedde dat dat niet meer te achterhalen was geweest. Voordat de rook vanuit het dorp zichtbaar was en de brandweer zich een weg door het dichte bos had weten te banen, was van de hut weinig meer over dan een hoop smeulende balken met wat geblakerd metaal ertussen. En de verkoolde resten van een twaalfjarige jongen, die zo erg was verbrand dat hij aan zijn gebit moest worden geïdentificeerd.
‘Daar ben je mooi mee weggekomen, jongen’, zegt Oler voor hem, zonder om te kijken. Bart begrijpt nog steeds niet waarom Oler hem heeft gevraagd hem te volgen, maar na de bedreigingen aan het adres van zijn vrouw en kinderen wilde Bart niets liever dan Oler zijn huis uit hebben, hoe verder er vandaan, hoe beter.
‘Toegegeven, ik vind het knap van je dat je altijd je mond hebt kunnen houden, op die leeftijd al.’ Opnieuw zwiept een tak naar Barts gezicht, hij weet hem maar net te ontwijken en voelt de druppels van de bladeren op zijn wang spetteren.
Bart antwoordt niet en ook Oler doet er weer het zwijgen toe. In stilte vervolgen ze hun voettocht, waarvan Bart de bestemming wel kan raden, maar naar het doel ervan slechts kan gissen. 

Het is al aan het schemeren wanneer ze de open plek bereiken. Dat is vreemd, want ze zijn aan het begin van de middag vertrokken en het kan niet meer dan een minuut of twintig lopen zijn vanuit Barts huis. Maar lang kan Bart zich daar niet lang over verbazen, want hij ziet iets anders dat helemaal niet kan. Tegen de achtergrond van de bebossing, aan de overkant van de open plek, steekt het donkere silhouet van een houten keet af.
Niet zomaar een keet.
De hut.
Bart meent zelfs een latente benzinelucht te ruiken. Met lood in zijn schoenen doet hij een paar stappen naar voren, hopend dat het een illusie is, een truc van het laatste licht en de bomen.
‘Geloof je er allemaal nog steeds niks van, Bart?’ Oler is naast hem komen staan, te dicht naar Barts zin. De stilte is beklemmend. Bart hoort alleen het ruisen van het bladerdek, gedruppel van regen en de rustige ademhaling van zijn oude vriend. Geen enkel ander geluid lijkt deze plek te bereiken en ook dat is vreemd, het dorp kan niet verder zijn dan een paar honderd meter.
‘Je was altijd in alles de beste, dus die hut nabouwen moet voor jou een makkie zijn geweest.’
Oler lacht. ‘Kom op Bart, je weet wel beter.’
‘En nu? Ga je me nu vertellen waarom we hierheen gelopen zijn? Wil je mij herinneren aan wat hier gebeurd is? Oude wonden openrijten?’
‘Misschien geloof je nog steeds dat ik die hut herbouwd heb, alleen om jou een loer te draaien. Tja, het had gekund. Maar geloof je ook dat ik Marcel uit de dood kan laten herrijzen?’ Oler pakt Bart bij zijn ellenboog en troont hem met zachte dwang mee. ‘Kom, laten we eens kijken hoe ver hij is met die brommer van hem.’ Bart kan niet geloven dat ze Marcel of zelfs maar de brommer gaan aantreffen, maar doodsangst nestelt zich in al zijn vaten en poriën.
Oler pakt de houten balk vast en schuift hem zijwaarts uit de beugels, met een gemak alsof het een mikadostokje is. Hij zet hem bijna eerbiedig tegen de zijwand en trekt de deur open. Het gekners van de scharnieren brengt opnieuw pijnlijke herinneringen boven in Barts bewustzijn.
Oler stapt over de drempel de hut binnen. ‘Marcel, ben jij daar?’, vraagt hij opgewekt, terwijl de duisternis hem opslokt. 

Op dat moment ziet Bart zijn kans. Hij pakt voorzichtig de balk op, wat hem nu een stuk gemakkelijker valt dan destijds. Zodra hij hem in de bochten van zijn ellebogenvast heeft, trapt hij met zijn voet de deur dicht. Net voordat die in de sponning valt, meent Bart nog even de verbaasde blik van Oler te zien. Met een vloeiende beweging laat hij de balk uit zijn armen in de beugels rollen.
Bart strekt zijn rug en kijkt omhoog, terwijl een trillende zucht aan zijn keel ontsnapt. De regendruppels die op zijn gezicht landen, vieren zijn bevrijding.
‘Krijg wat’, fluistert hij tegen de boomtoppen. Dan, harder, tegen Oler aan de andere kant van de deur: ‘Veel plezier daarbinnen, vriend. Je mag van geluk spreken dat ik geen lucifers bij me heb.’
In de hut blijft het doodstil.
De weg terug leek een fractie te duren van de boswandeling heen, in het kielzog van Oler. Wel was het harder gaan regenen en soms moeilijk in de toenemende duisternis het pad te volgen. Naarmate hij de hut en Oler verder achter zich liet, leek die krankzinnige middag langzaam uiteen te vallen en nu hij achter de voordeur zijn doorweekte jas van zijn armen stroopt en zijn schoenen op de deurmat te drogen zet, probeert Bart te geloven dat zijn verbeelding een loopje met hem moet hebben genomen. Misschien had hij het vanmiddag bij een of twee biertjes moeten laten. Hij moet zo nog wel even zijn moeder bellen om helemaal zeker te zijn dat ze oké is. Natuurlijk is zie dat, maar gewoon, voor alle zekerheid. 

Bart ruikt koffie en vanuit de woonkamer klinkt gelach en applaus van een of ander spelprogramma. Boven hoort hij het gestommel van de kinderen die elkaar de hut uit vechten; Bart is terug in de gezellige, veilige cocon van zijn gezinsleven, waar voor idioten die zich uitgeven voor denkbeeldige vriendjes geen plaats is.
Onderweg heeft hij een verhaal verzonnen om zijn afwezigheid en smerige kleding te verklaren. Hij was na de race even gaan wandelen om de alcohol uit zijn kop te waaien. Een automobilist was op een buitenweg van het asfalt gegleden en in de berm vast blijven zitten. Bart had geholpen zijn auto weer los uit de modder te krijgen.
Hij stapt de woonkamer binnen, waar Bregje op de bank The Masked Singer zit te kijken. Wanneer ze hem ziet, verkrampt ze, spert ze haar ogen open en zet ze het op een gillen.
‘Bart!’, schreeuwt ze. ‘Er is iemand in huis!’
Bart bevriest. Dat kan er maar één zijn.
‘Waar is hij schatje?’
Hij komt op haar af, maar Bregje kruipt van hem weg, naar de verste hoek van de bank.
‘Ba-hart!’ Ze barst in huilen uit.
Hij wil haar omhelzen, troosten, maar ze haalt naar hem uit en haar hand mist hem maar net.
‘Blijf van me af! Bart!, alsjeblieft, kom nu!’
Hij staat in de deuropening van de keuken. De man waarvan Bart dacht dat hij zat opgesloten in de hut, wat heet, de man waarvan hij net weer was begonnen te geloven dat hij een hersenkronkel moet zijn geweest.
‘Rustig maar liefje’, zegt Oler tegen Bregje, terwijl hij Bart met een uitgestreken grijns blijft aankijken. ‘Mijnheer heeft waarschijnlijk wat te veel gedronken en zich in de deur vergist, nietwaar?’ Hij gaat op de leuning van de bank zitten en slaat een arm om Bregje heen. Ze legt haar hoofd tegen zijn borst en lijkt wat te kalmeren.
Bart ziet het gebeuren, verlamd. Oler woelt door het haar van zijn vrouw terwijl hij opstaat.
‘Ik laat mijnheer wel even uit, schat. Ben zo terug.’
Bart balt zijn vuist en mikt op Olers gezicht. De uithaal bundelt al zijn kracht en woede, maar is geen partij voor Olers hand, die zijn pols uit de lucht pakt en Barts arm verdraait. Bart schreeuwt het uit van pijn.
‘Breg, wat is dit verdomme? Wat moet jij met die vent?’ Bart voelt tranen opkomen.
‘Hou eens op’, zegt Oler kalm. ‘Onze kinderen hoeven dit onsmakelijke tafereel niet mee te krijgen.’
Hij legt handen als graafmachines op Barts schouders, draait hem om en duwt hem voor zich uit de gang in. Bart stribbelt tegen, maar is kansloos tegen de kracht van Oler. Hij weet nog wel om te kijken en ziet nog net het rood gehuilde gezicht van zijn vrouw, waarop angst en woede elkaar verdringen.
‘Gaan jullie je tanden poetsen?’, roept Oler naar boven, terwijl hij Bart voor zich uit duwt. ‘Papa komt jullie zo onderstoppen.’
Bart opent zijn mond om de kinderen te waarschuwen, maar Olers hand omklemt zijn onderkaak, de pijn trekt door zijn ruggengraat.
Oler trekt Barts hoofd een stuk naar achteren en brengt zijn mond vlakbij zijn oor. ‘Geen zorgen,’ zegt hij gedempt, ‘ik zal goed voor ze zorgen. En lief zijn voor Bregje.’
Bart krijgt een laatste por in zijn rug en het volgende moment staat hij op zijn sokken in de stromende regen. Achter hem vliegt de deur dicht. De klap is zo hard dat de gong van de deurbel trilt. 

Ding-dong. 

 

Dit verhaal was een inzending voor de Harland Award 2025.

Op Slot – kort verhaal

16 januari 2025 door Frank Jacobs Reageer

Dedain omhulde haar als een wolk koppig parfum: onzichtbaar, maar onmiskenbaar – de neerbuigende toon, alsof ze haar dienstmeisje een standje gaf, de vanzelfsprekendheid waarmee ze kleding droeg waarin ieder ander zich overdressed zou voelen. Ze betaalde mij voor wat banale genoegens, maar wist desondanks een onmetelijke afstand te handhaven. Het moet die arrogantie zijn geweest die mij deed besluiten dat ik juist haar meer afhandig zou maken dan mijn gebruikelijke honorarium. De minachtende blik terwijl ze het losgeld overhandigde, was het laatste dat ik ooit van haar gezien dacht te hebben.

Maar nu, vijf jaar later, boren haar ogen zich opnieuw in de mijne en ditmaal ben ík de pineut. Naast mij zit mijn nieuwe liefde, haar dochter, die deze kerstavond heeft gekozen om mij aan haar ouders voor te stellen. Sabines vlinderachtige blijdschap staat in schril contrast met het etherische gif dat tussen haar moeder en mij hangt. Haar vader, op het oog een bezadigd man, lijkt aan te voelen dat er iets speelt en ontziet zijn vrouw. Een goed huwelijk is weten welke trede van de trap kraakt, maar ik begrijp niet waar mijn rol in dat goede huwelijk zou moeten passen. Zelf doe ik verwoede pogingen te doen alsof ik niet zojuist ontdekt heb dat mijn aanstaande schoonmoeder de vrouw is die ik ooit bediende met wat ze bij mijn aanstaande schoonvader ontbeerde. Ergens aan de rand van mijn bewustzijn zweeft de gedachte dat het onlogisch zou zijn dat ze de gierton, waar ze destijds zo veel voor betaalde om hem gesloten te houden, nu over tafel uit zou gieten.
Een hand knijpt in mijn knie, mijn hart slaat een slag over. Sabine schenkt me een gelukzalige glimlach. Ik lach terug, maar het kan niet veel meer zijn dan een geforceerde grimas. Snel kijk ik weer voor me uit, waar ik Joyces ogen, die tussen de kaarsen door pijlen op mij af schieten, niet kan negeren. Ik verdraag haar blikken amper en probeer door het raam naar buiten te vluchten, maar de weerspiegeling van ons kerstdiner is sterker dan de veilige duisternis op straat, waarvan de geruststelling tussen mijn vingers door glipt op het moment dat ze de stilte verbreekt.
“Rutger”, krult ze haar lippen rond mijn naam, terwijl ze haar ellenbogen op tafel plant en haar kin op haar ineengevouwen vingers vlijt.



“Mevrouw?” De tijd dat ik haar – hijgend in haar oor – bij de voornaam moest noemen, ligt ver achter ons. Ze antwoordt in stilzwijgen, met niets dan licht samengeknepen ogen. Haar man snijdt een stukje van zijn vlees, dat hij kort inspecteert alvorens het in zijn mond te stoppen. Ik vrees de woorden die niet lang meer op zich laten wachten, leg mijn servet op tafel en mompel iets over het toilet, waarna ik quasi-kalm de kamer uit loop. Ik heb geen idee waar het toilet is, maar de voordeur weet ik feilloos te vinden. Ik druk de klink omlaag, snakkend naar frisse lucht.
Tevergeefs. De deur zit op slot.

Longlist Querido Academy schrijfwedstrijd 2025.


De Laatste Pomp – kort verhaal

19 februari 2022 door Frank Jacobs Reageer

Thom tuurt door de spleetjes van zijn ogen naar de horizon. Hoewel het nog vroeg in de ochtend is, trilt de lucht boven het asfalt al. Het belooft weer een verzengend hete dag te worden. Ergens halverwege het punt waar Route 161 met de noordelijke horizon versmelt, hangt een snel naderende stofwolk. Thom hoopt dat het een vrachtwagen met een bijna lege tank is, dat zou een mooi begin van de dag zijn. Helemaal als de chauffeur ook nog dorst heeft en er een stapeltje pornobladen bij koopt. Hij haast zich naar het bord bij de afrit en draait het van GESLOTEN naar WE ZIJN OPEN. Wanneer de stofwolk dichtbij genoeg is om prijs te geven wat hem veroorzaakt, ziet Thom uit de fata morgana de vaalrode pick-up truck van Fred Bronestene tevoorschijn komen. Eerst alleen de voorruit en het geweerrek dat boven de cabine uitsteekt, daarna ontworstelt de rest van de roestige, gedeukte Chevrolet Apache zich aan de golvende eenwording van aarde en lucht. Eén koplamp schijnt strak vooruit, de andere zit los en trilt in zijn behuizing, waardoor het lijkt of hij onregelmatig flakkert.
Terwijl hij voorbij dendert, toetert Fred, bij wijze van groet. Thom heft zijn hand, maar zodra hij de achterkant van de truck ziet, vouwt hij zijn vingers op; alleen de middelste blijft overeind. De rijwind van Freds pick-up heeft het bordje een slinger gegeven en het hangt weer op GESLOTEN, de ketting zacht rinkelend. Aan Fred zal Thom nooit één druppel benzine verkopen, want Fred is eigenaar van het enige andere tankstation aan de 161.  Freds pomp staat veertig kilometer verderop naast zijn wegrestaurant, Saint Ann’s Diner. Ooit maakte Thom een bord met de tekst VERTROUW NIET OP JE BENZINEMETER, DE GIEREN WACHTEN NIET TOT JE DOOD BENT. Na twee dagen was het bord verdwenen, Thom vermoedt in de laadbak van een vaalrode pick-up truck.
Thom sloft terug naar de houten keet waar zijn armzalige nering staat uitgestald. Met zijn cowboylaars schopt hij een kei weg, die twintig meter verderop met een harde ‘klang!’ tegen een van de pompen aan komt. Hij zou ook nooit een druppel benzine van Fred kopen, al lag zijn moeder op de achterbank te creperen en zaten alle gieren van de omgeving al klaar, een servet om de schurftige nek geknoopt.
Het mechanische belletje rinkelt als Thom de deur opent. Binnen is het prettig koel; die oude, rumoerige airconditioner is het laatste wat Thom ooit weg zou doen van deze verzameling rotzooi die de erfenis van zijn pa vormt. Twee jaar geleden is de oude Knox in zuidelijke richting de woestijn in gelopen, vermoedelijk op zoek naar zijn hond. Fred vond Ritch twee weken later. Dat wil zeggen, een verzameling botten die afkomstig leken te zijn van een hond van Ritchie’s formaat. De dieren die in dit schrale, hete landschap leven, moeten met weinig voedsel genoegen nemen en kunnen niet al te kieskeurig zijn. Ritchie’s beenderen waren minutieus kaal gekloven, maar van de oude Knox is nog geen vingerkootje teruggevonden. Niet dat iemand dat had verwacht; wie in dit deel van het land verdwijnt, wordt zelden teruggezien, levend noch dood. De dood waart daarbuiten, heerst alleen en zal het schaarse, broze leven immer overvleugelen.
Thom heeft geen moment met de verdwijning gezeten, want hij heeft zijn vader nooit gekend. De oude Knox was 35 jaar eerder naar de stad gekomen, alleen hijzelf wist waarom. In een bar waar bier goedkoop was en het leven weinig meer waard maakte hij de barvrouw het hof, of wat daar voor door moest gaan. Marilyn nam het in die tijd niet zo nauw met mannen, ontving gewillig Knox’ DNA en tegen de tijd dat ze haar uitgaven kon halveren omdat ze geen maandverband meer nodig had, was Knox niet alleen lang en breed verdwenen, maar had ze bovendien zoveel genetisch materiaal van zoveel andere mannen tot zich genomen dat ze niet met zekerheid kon zeggen van wie die vervloekte baby in haar buik was. Die pompstationhouder uit het zuiden had het dichtst bij haar eisprong gezeten, dus ze was er maar vanuit gegaan dat hij de vader was van haar zoontje, dat net voor de jaarwisseling ter wereld was gekomen.

Die aanname was amper een moer waard, want Knox was weg en Knox bleef weg. Marilyn stond er alleen voor met de kleine Thom, maar dat belette haar niet om te blijven werken in de bar waar ze zijn waarschijnlijke vader tegen was gekomen. Sterker, de aanwezigheid van Thom maakte de noodzaak om zelf voor brood op de plank te zorgen des te groter. Behalve dat hij een mond te voeden extra betekende, maakte hij het haar ook minder gemakkelijk om kerels mee naar huis te nemen, van wie ze in ruil voor een zielloze pijpbeurt een paar dagen levensonderhoud kon krijgen en –  als ze dronken of naïef genoeg waren –  de kans om hun portemonnee ongemerkt te laten verdwijnen.
De eerste jaren met Thom had ze die handel helemaal achterwege gelaten, maar toen hij een jaar of vijf was, had Marilyn haar oude metier weer opgepakt. Als het even kon, sloot ze het kind op in zijn kamertje wanneer ze een klant af te werken had. Maar naarmate hij ouder werd, liet Thom zich steeds minder gemakkelijk opsluiten. Het duurde niet lang of het liet hem volslagen onberoerd een wildvreemde vent kreunend en kronkelend op hun bank te zien zitten, terwijl het knopige, gebleekte haar van zijn moeder lag uitgewaaierd over de plek waar een fatsoenlijke vent zijn onderbroek draagt.
Die kerels bleven meestal minder onberoerd als ze Thom de kamer binnen zagen lopen en nadat er een in woede ontstak en Thom – hij was inmiddels een jaar of acht – helemaal bont en blauw sloeg, zorgde Thom dat hij niet thuis was wanneer er een kans bestond dat mama een mijnheer meenam. Zijn leven verplaatste zich naar de straat en dat kwam Marilyn wel goed uit. Op zijn twaalfde verjaardag had Thom Knox drie overvallen, medeplichtigheid aan een brandstichting met dodelijke afloop, een dozijn inbraken en tientallen vechtpartijen op zijn conto. Zijn talent bleef niet lang onopgemerkt en nog voordat hij de baard in de keel kreeg, was Thom de protegé van El Gamberro, wiens naam eenieder met ook maar een greintje levenslust in Rohrville met diep respect uitsprak. Rond zijn achttiende maakte hij deel uit van El Gamberro’s lijfwacht en was hij bijna net zo gevreesd als zijn baas.
Hoewel hij in de vijftien jaar die volgden genoeg misdrijven pleegde om de elektrische stoel te krijgen – met de helft was hij ook al een eind gekomen – wist Thom al die tijd uit handen van justitie te blijven, wat hij mede te danken had aan zijn positie. Als politieman moest je wel een ontzettend rothuwelijk plus een stel pokkenkinderen hebben om El Gamberro en de zijnen veel meer dan een strobreed in de weg te durven leggen.
Maar je kunt nog zo stevig in het zadel denken te zitten, de onderwereld van Rohrville was een rodeo, ontdekte Thom op een ochtend, toen hij bruut wakker werd gemaakt en El Gamberro met twee gewapende mannen aan het voeteind van zijn bed stond. El Gamberro vroeg hem niet wáár de partij was, hij vertelde hem dat hij vijf dagen had hem terug te bezorgen, tot de laatste gram. Thom wilde hem vragen waar hij het over had, maar kreeg de kans niet. Terwijl zijn baas zich al omdraaide, schoot een van zijn handlangers een kogel door Thoms onderbeen. Tegen de tijd dat hij van de ergste pijn was bekomen, was Thom weer alleen, en in diepe, diepe moeilijkheden. Hij had zelf vaak genoeg voor El Gamberro met oplichters moeten afrekenen en wist precies wat hem te wachten stond.
Had hij een week eerder nog zijn neus opgehaald voor de erfenis van zijn vermoedelijke vader, die volgens de notaris na een jaar vermissing dood was verklaard, nu zou dat armoedige tankstation aan de 161, in een uithoek van de woestijn waar geen Rohrviller iets te zoeken had, wel eens zijn redding kunnen zijn. Blijkbaar had El Gamberro er op gerekend dat hij eieren voor zijn geld zou kiezen, want het lukte Thom twee dagen later om in een gestolen auto onopgemerkt de stad uit te komen. Inmiddels slijt hij zijn troosteloze, eenzame maar veilige dagen als pompstationhouder aan de 161 tussen Rohrville en Ryker Skies, een dorp waarvan het bestaan niemand durft te betwijfelen, maar dat op geen enkele kaart staat. De zon is daar verzengend, maar de duisternis nimmer aflatend, zo gelooft men.

Het loopt tegen tienen wanneer Thom een treetje Cola uit de opslag achter zijn winkel haalt. Terwijl hij het plastic van de blikjes scheurt, hoort hij achter zich het belletje van de deur. Dat bevreemdt hem, want hij heeft het afgelopen halfuur naar het noorden zitten staren en elke auto ziet hij ruim van tevoren als een stofwolk aankomen. Hij draait zich met een ruk om en kijkt in de ogen die op hem neerkeken toen hij twee jaar geleden een kogel in zijn been kreeg. Ditmaal is de uitdrukking in die ogen heel anders, vriendelijk zelfs, waardoor Thom moet denken aan de jaren waarin hij geloofde dat El Gamberro een redelijk substituut had kunnen worden voor zijn onbekende, maar ongetwijfeld waardeloze zak van een vader.
Gamberro lacht zijn tanden bloot. ‘Dag Thom. Ben je blij me weer te zien?’
‘Ik heb je niet zien aankomen,’ weet Thom uit te brengen nadat hij van zijn eerste schrik bekomen is.
Gamberro kijkt hem vorsend aan en laat een korte stilte vallen. ‘Je bent je scherpte kwijt, Thom. Een paar dagen geleden kwam ik hier ook langs en toen zag je me niet voorbij komen.’
‘Niemand komt hier tweemaal langs.’
‘Echt? Hoe, Tommy-Boy, kan ik dan weten dat jij vorige week dáár,’ Gamberro knikt naar rechts, ‘in een groene overall aan die loods daar stond te klussen. Naast je stond een kruiwagen met, naar ik aanneem, gereedschap.’
‘Als dat zo is, waarom reed je toen door en stop je nu wel?’
‘Omdat ik bij Saint Ann’s Diner wilde stoppen. Als ik jou was, zou ik dat bord verderop weghalen.’
‘Bord?’ Thom denkt aan het geintje dat hij een tijd geleden met Fred heeft uitgehaald. Zou die oude schoft hem met gelijke munt hebben terugbetaald?
‘Nog maar veertig kilometer voor goedkopere benzine, ijskoude dranken en de beste burgers in het land, staat erop. Hoogstens vijfhonderd meter terug.’ Gamberro wijst naar het noorden.’ Je bent hier echt ingedut, Tommy-Boy.’ Het was ooit liefkozend bedoeld, maar nu klinkt zijn oude bijnaam Thom alleen nog maar neerbuigend in de oren. ‘En daarom is het jouw schuld dat ik in Ryker Skies ben beland,’ vervolgt Gamberro. Hij trekt de glazen deur van de koelkast open, pakt een blik bier en maakt het klak-psjjj open. ‘Maar dankzij jou zal ik de eerste zijn die er ook weer weg komt.’ Hij loopt naar buiten, Thom volgt hem, verbaasd en ongerust.

‘Ik weet niet waar je wél bent geweest, maar niemand is ooit teruggekeerd uit Ryker Skies. Als het al bestaat.’ Ze zitten op plastic tuinstoelen in de schaduw van wat is overgebleven van de overkapping van het pompeiland. De rest van de houten constructie ligt in losse planken met witte afbladderende verfresten opgestapeld naast het kantoortje. De zon staat inmiddels hoog aan de hemel en het kwik van de thermometer, een roestig, blikken ding met een grijnzende tijger en opschrift “Be exxtra safe at Exxon”, kruipt traag, maar vastbesloten richting de 35 graden. Het zou Thom niets verbazen als dat oude kreng een paar graden te laag aangeeft.
Hij heeft een blikje uit zijn vers aangevulde voorraad Cola genomen. El Gamberro kijkt tevreden naar zijn Bud en neemt nog een slok.
‘Als het al bestaat? Knul, ik ben er geweest, letterlijk en figuurlijk, en Ryker Skies is echt. Al is het geen plaats zoals andere, met huizen, straten, winkels en een kerk. Ryker Skies is een plek waar vergeten nachtmerries liggen opgeslagen. Een plek waar je alleen belandt wanneer je aan jouw pomp voorbij gaat en bij Saint Ann’s Diner moet stoppen.’ El Gamberro laat een boer waar het pleisterwerk op Thoms gebouwtje, als het er nog geweest was, van zou zijn losgetrild.



‘Volgens de legende ligt het aan het einde van de 161, maar dat is gelul. Waar deze weg uitkomt, weet ik niet, maar het is zeker niet in Ryker Skies.’ El Gamberro is aan zijn tweede biertje begonnen, alsof het geen elf uur ’s ochtends, maar in de avond is,  en neemt een trekje van zijn sigaret. De rook ontsnapt traag uit zijn mond en blijft in de windstilte hangen. ‘Toen ik de afrit van Saint Ann’s Diner nam, stond die oude zak, Fred, op me te wachten. Het leek wel of hij wist dat ik eraan kwam. Maar dat was niet de enige reden waarom ik aanvoelde dat er iets niet in de haak was.’ Gamberro wijst met zijn bierblik naar Thom. ‘Ben jij er wel eens geweest?’
Thom schudt zijn hoofd. ‘Nee, nooit. Fred heb ik wel een paar keer ontmoet, maar dat was hier. Een klootzak eerste klas. Maar ja, je hebt je buren niet voor het uitzoeken in deze contreien.’
‘Saint Ann’s klopt daar niet, niet op die plek. Het is een stenen gebouw van twee verdiepingen, hagelwit geverfd, spic en span onderhouden met van die dure shutters achter alle ramen om de hitte buiten te houden. Er stond een champagnekleurige Eldorado voor de deur, glanzend en smetteloos alsof hij net uit de showroom kwam.’
Thom denkt aan de roestige pick-up truck waar hij Fred wel eens in ziet rijden, maar onderbreekt Gamberro niet.
‘De enige imperfectie aan het gebouw was dat de N van de lichtreclame ontbrak, zodat er SAI T ANN’S DINER op de gevel stond. Zulke chique gebouwen horen niet op een godvergeten plek als deze, het leek net of iemand een plaatje van een tent in een dure badplaats had uitgeknipt en op een foto van de woestijn had geplakt, snap je? Maar het was beslist geen illusie, want ik rook die goddelijke lucht van gegrilld vlees en van binnen kwamen de klanken van Ritchie Valens’ Donna. Ik durf te zweren dat ik achter die shutters allemaal mensen zag zitten. Mannen, vrouwen, kinderen; vrolijke gezinnen uit naburige dorpen die er niet waren, hierheen gereden voor een sappige Annsburger met frieten en veel ketchup. Maar toen ik even later binnen stapte, was het enige teken van leven Valens’ stem: I’m left all alone, all by myself. Het interieur was net zo keurig als de buitenkant, met crème lambrisering, een ruwhouten vloer en traag wiekende ventilatoren boven een stuk of tien ronde tafels met klassieke stoelen. Aan de overkant van het zaaltje stond een withouten bar in koloniale stijl en de barbecuegeur was binnen nog een stuk sterker.
Plotseling stond hij achter me en mijn hart sloeg een slag over. “Welkom bij Saint Ann’s, Gamba,” zei hij, me noemend bij de naam waarvan ik weet dat sommigen hem voor me gebruiken, maar die nog nooit iemand in mijn gezicht heeft durven uitspreken.’
Thom, die de bijnaam kende, moest onwillekeurig glimlachen. El Gamberro zag het en gaf hem een gemoedelijke stomp tegen zijn bovenarm.
‘Hou op met lachen, Tommy-Boy, en haal nog zo’n Bud voor me.’
Thom deed het en nam weer plaats naast zijn oude maffiabaas.
‘Gámba, verdomme. Ieder ander had drie weken door een slangetje moeten eten, maar ondanks dat hij een kop kleiner was dan ik, was er iets aan die Fred waardoor ik me inhield. “Fred is de naam en dit is mijn plek,” zei hij, zijn hand uitstekend. “Wat kan ik voor je doen?” Ik vroeg om een burgermenu en een biertje en schoof aan bij het dichtstbijzijnde tafeltje. Fred verdween door een klapdeurtje achter de bar, ik neem aan naar de keuken om mijn bestelling te bereiden.
Een dik kwartier later zette ik mijn tanden in wat zonder twijfel de beste burger was die ik ooit at. Ik had werkelijk geen idee hoe hij in zijn eentje, zo ver van de bewoonde wereld, zulk vlees op een bord wist te krijgen. Zonder toestemming te vragen nam Fred tegenover mij plaats, alsof hij van dichtbij wilde zien hoe ik van zijn kookkunst genoot. Ik voelde me ongemakkelijk bij zijn nadrukkelijke aanwezigheid, maar besloot mijn maaltijd er niet door te laten verpesten. Mijn auto was inmiddels volgegooid, dus daar kon ik hem ook niet voor wegsturen.
Toen ik mijn laatste hap wegspoelde met een flinke slok bier, verbrak Fred zijn stilzwijgen. “Jij wilt naar Ryker Skies, hè?” Het klonk nauwelijks als een vraag. Hij legde zijn onderarmen op het tafelblad en boog dichter naar me toe, vertrouwelijk, alsof er iemand was die ons kon afluisteren. Zijn adem rook naar nicotine en zure melk, maar ik deinsde niet terug, om te voorkomen dat hij zou denken dat hij me angst inboezemde. “Dan ben je bij Saint Ann’s aan het juiste adres,” zei hij.
Ik vroeg hem waarom de N op zijn gevel ontbrak, terwijl alles verder zo perfect onderhouden was. Hij antwoordde dat die steeds weer viel, hoe goed hij hem ook vastmaakte, zodat hij uiteindelijk had opgegeven het te herstellen. “Sait Ann’s Diner klinkt toch ook prima?” grijnsde hij, en daarmee was het onderwerp wat hem betreft afgedaan, wat hij leek te willen benadrukken door met zijn duimen op het tafelblad te trommelen. De grijs verdween weer van zijn gezicht en zijn varkensoogjes priemden in de mijne. “Als je de 161 vervolgt, mis je Ryker Skies, als twee gelijke magneetpolen.” Hij liet zijn wijsvingertoppen bijeen komen, om ze net voordat de elkaar zouden raken langs elkaar heen te laten schieten. Ik vroeg hem wat er dan is aan het einde van Route 161, wat hij pareerde met de vraag wat er volgens mij aan het einde van het heelal is. “In elk geval geen bordje met ‘Einde heelal, fietsers afstappen’,” beantwoordde hij zijn eigen vraag. Weer die grijns.
Nadat ik het laatste frietje in de ketchup had verdronken en in mijn mond stopte, stond Fred op en wenkte hij me hetzelfde te doen. Hij liep naar het raam naast de bar, waar hij de shutters een stukje opende zodat we naar buiten konden kijken. De achterkant van het terrein zag er heel anders uit. Het was een zanderige vlakte met resten verbrokkeld asfalt, onkruid en hier en daar opengescheurde vuilniszakken. Het vreemdste was dat het terrein omgeven was door dichte, op het oog ondoordringbare  bebossing, midden in de woestijn. Aan de linkerkant stond een rode, roestige Chevrolet Apache en aan de andere kant, spiegel aan spiegel, tientallen andere auto’s, in verschillende staten van verval. Sommige meende ik te herkennen van mensen met wie ik wel eens zaken deed. Pas later realiseerde ik me dat het allemaal mensen waren die ik een duwtje om de hoek heb laten geven. Onder meer door jou.
Fred pakte me bij mijn kin – opnieuw verbaasde ik mezelf door het toe te laten – en dwong me recht vooruit te kijken. Pas toen zag ik een opening in het struikgewas, als een poort van takken en bladeren. “Dat,” zei hij plechtig, “is de enige weg naar Ryker Skies.” Ik wierp tegen dat ik daar met de auto niet door kom, maar daar moest hij alleen maar om lachen. “Ryker Skies benader je uitsluitend te voet. Je auto kun je hier laten, ik zal er goed op passen.” Terwijl hij dat zei, knikte hij naar de ontbindende wrakken rechts.’
El Gamberro pauzeert even om een sigaret op te steken. Hij knijpt zijn bierblikje plat en mikt het met een kunstige worp in de vuilnisbak op het pompeiland. Thom ziet het gefascineerd aan.
‘Ik weet dat dit allemaal nogal wazig klinkt, maar geloof me, je hebt nog niets gehoord. Vanaf nu wordt het nog vreemder en ik weet niet goed hoe ik het je moet vertellen. Maar het moet, anders zul je niet begrijpen waarom ik straks doe wat me te doen staat.’ Ditmaal staat hij zelf op om een nieuwe Bud te halen. Wanneer hij terugkomt, reikt hij Thom een Cola uit eigen koelkast aan.



‘Toen Fred me via de achterdeur uitliet, bekroop me een akelig gevoel. De atmosfeer aan de achterkant van het gebouw was heel anders; vochtig, klam met een latente geur van verrotting en dood. Impulsief deinsde ik terug, maar toen ik me omdraaide, was Fred verdwenen en de deur dicht. Ik hoefde de klink niet te proberen om te weten dat hij op slot was en dat kloppen zinloos zou zijn, voelde ik ook. Ik moest naar Ryker Skies en vanaf hier was er geen weg meer terug. Een dreigende, donkere lucht lag als een zware deken over de wereld die ik zojuist betreden had en schoorvoetend stapte ik door de poort van loof.
Ken je die schemerwereld tussen slaap en bewustzijn? Die paar ogenblikken in de ochtend, wanneer je je dromen haarscherp herinnert, alvorens ze oplossen in de werkelijkheid om voor altijd te verdwijnen? Het is niet precies dat, maar die omschrijving komt wel het dichtst in de buurt van alles wat ik vanaf dat moment meemaakte.
Vrijwel onmiddellijk was ik alle besef van tijd en afstand kwijt. Voor mij strekte het bospad zich breed uit, maar toch leken de bomen van weerszijden op me af te komen en toen ik omkeek, kreeg ik de indruk dat het pad achter me veel smaller was dan toen ik er had gelopen en was de poort waardoor ik Freds terrein had verlaten, al uit het zicht verdwenen. Boven mij sloten de bomen aaneen als een gotische booggalerij en ondanks dat het windstil was, ruiste een afwezige bries door de bladeren. Kippenvel stond op mijn armen en ik had geen idee of dat mijn sinistere angst was of de kille atmosfeer die in het bos hing. Ik probeerde mijn richting te bepalen aan de hand van de zon, maar door het dichte bladerdek was het onmogelijk te zien waar het weinige, diffuse licht vandaan kwam. De kleur klopte evenmin, het was net of iemand daarboven de zon had vervangen door van die ouderwetse, gelige gloeilampen.
Er was nog iets waardoor het bos onnatuurlijk aanvoelde, al kon ik het aanvankelijk niet duiden. Pas na een tijdje realiseerde ik me wat het was. In een gewoon bos hoor je altijd wel leven. Vogels, insecten, geritsel van kleine knaagdieren in de bladeren; je bent je er amper van bewust, maar hoort het wel. Hier was helemaal niets, afgezien van het geruis van de bladeren en het bloed in mijn hoofd. Het was een vochtig bos, een kil bos maar vooral een dood bos. Sommige levensvormen zijn gevaarlijk, maar de totale afwezigheid van leven is doodeng.
Je moet me niet vragen of ik zo een uur ronddoolde, of dat het vele uren waren. Misschien was het net als met dromen, die je als hele avonturen beleeft, maar die in werkelijkheid hoogstens enkele seconden duren. Ik vertelde je net dat ik helemaal alleen daar was, maar dat is niet helemaal waar. Af en toe dacht ik een schim te zien, waarvan het silhouet zich losmaakte van een boomstam en die daarna op een afstandje met me opliep om vervolgens weer in een andere boom op te gaan. De eerste keer riep ik haar aan, maar ze reageerde op geen enkele wijze, alsof ik voor haar nog onwerkelijker was dan zij voor mij, alsof we in verschillende dimensies leefden en de beelden slechts een kleine lekkage waren in wat het ook moge zijn dat dimensies van elkaar scheidt.
Ik had meerdere van dergelijke ontmoetingen, maar net zoals ik het vermogen de uren of kilometers te tellen kwijt was, zo lukte het tellen van andere dingen mij ook niet meer. Dat de ene verschijning soms in een volgende over leek te gaan, maakte het er evenmin gemakkelijker op. Na verloop van tijd drong het tot me door dat ik mij lichter begon te voelen. Ik ben de jongste niet meer en zo’n tocht zou me langzaam maar zeker moeten uitputten, maar het tegendeel gebeurde. Het lopen viel me steeds gemakkelijker, terwijl mijn gezichtsveld zijn scherpte verloor. Op een zeker moment was ik van het pad afgedwaald en toen ik omkeek om me te heroriënteren, zag ik in de verte iemand over het pad strompelen die er veel echter uitzag dan de schimmen die mijn gezelschap aan het worden waren. Met veel moeite wist ik om te keren, maar tegen de tijd dat ik het pad weer had bereikt, was die persoon verdwenen.
Toen ik Irma tegenkwam, wist ik onmiddellijk dat dit iets anders was. Ik begon net te geloven dat ik de laatste schimmen achter me had gelaten en omdat het weinige licht verder begon af te nemen, vermoedde ik dat de avond er aan zat te komen. Het idee alleen al van deze krankzinnige wereld, maar dan helemaal donker, gaf me de koude rillingen. Tegelijkertijd met de duisternis voelde ik iets anders in kracht toenemen. Het was geen geluid, geen licht en geen geur. Ik denk dat het woord energie nog het dichtst in de buurt komt en het was geen positieve energie. Het was slecht, kwaad, satanisch, en brak mijn laatste beetje hoop dat er een einde zou komen aan deze nachtmerrie. De energie hing een tijdje om me heen en maakte dat ik begon te rennen, waarbij ik de grond amper meer raakte.
Plotseling implodeerde de energiewolk en het volgende moment stond ze voor me, mijn weg versperrend. Ik schatte haar begin twintig en tamelijk klein, maar de verbeten blik in haar ogen ontnam me elke illusie dat ik aan haar voorbij kon komen. Ze droeg zwarte, leren laarzen, een geruite lange rok en een ouderwetse blouse. Haar blonde krullen vielen half over striemen in haar hals en ondanks haar ijskoude blik en omlaag getrokken mondhoeken zag ik door haar dreigende voorkomen heen dat ze in een andere – vorige? – wereld beeldschoon moest zijn geweest. Ik stond als bevroren tegenover haar en toen ze zich van mijn aandacht had verzekerd, brak een glimlach door op haar gezicht, die haar alleen maar angstaanjagender maakte. De temperatuur was zover gedaald dat mijn ademhaling wolkjes vormde, maar deze vrouw leek helemaal niet te ademen.
Ze opende haar mond en haar lippen vormden mijn naam, nog voordat ik hem hoorde. “Gamba.” Het bereikte vertraagd mijn oren. Ze sprák mijn naam niet uit, ze ádemde hem uit. Haar mondhoeken krulden licht omhoog en opnieuw fluisterde ze mijn naam. Het was doodeng, maar tegelijkertijd zo opwindend dat ik het begin van een erectie voelde. Ze hield mijn blik gevangen in de hare en gaf me met een licht knikje van haar hoofd te kennen dat ik dichterbij moest komen. Ik zette twee stappen naar voren, terwijl mijn angst en opwinding een onbeslechtbare strijd voerden. Zelfs toen Irma bijna tegen me aan stond, rook ik alleen het bos. Irma, ja: ineens wist ik dat ze Irma heette. Irma Greys, of misschien Grays; ik kreeg geen visitekaartje. Ze keek uitdagend naar me omhoog. Daardoor vielen haar krullen naar achteren, zodat ik de striemen beter kon zien. Het waren de afdrukken die een strop achterlaat. Ik stond te flirten met een vrouw die dood en opgehangen was. Irma pakte mijn handen vast en drukte haar kille lichaam tegen het mijne, terwijl ze voor een derde keer mijn naam fluisterde, nu in mijn hals. Mijn pik reageerde onmiddellijk. Irma voelde het en giechelde, waarna ze haar hand van de mijne losmaakte en op mijn stijve drukte. Het ene moment werd ik gek van genot, het volgende trok er een vlaag pijn door mijn lichaam zoals ik die nog nooit gevoeld heb. Ik schreeuwde het uit, maar niemand, zelfs ik niet, hoorde me. Kronkelend probeerde ik me van haar los te maken, maar Irma hield me in een stalen greep, zonder me vast te houden. Ze keek naar me omhoog en siste geluiden die mijn oren niet begrepen, maar die in mijn hoofd vorm en betekenis kregen.
Opeens liet ze me los en zette ze een paar stappen achteruit, voorover gebogen, alsof ik haar een ram in haar buik had verkocht. Haar lachje was verdwenen en ze keek me aan met een onpeilbare woede. Ze wees naar iets achter mij, maar ik keek niet om, uit angst voor wat er kon gebeuren als ik haar ook maar even uit het oog zou verliezen. Nog een laatste keer siste ze tussen haar tanden, ditmaal kon ik de klank thuisbrengen: “Thom.”
Het volgende moment was ze verdwenen, nog sneller dan ze gekomen was. Alleen de nasmeulende pijn in mijn lichaam was er van haar over. Dat, en dat ik wist wat mij te doen stond om hier weg te komen. Irma Greys had me in een nachtmerrie van hoogstens een paar seconden duidelijk gemaakt waarom ik hier was en wat hier was. De pijn werd snel minder en de hoop op verlossing bracht me weer op de been. Desondanks voelde ik mijn krachten snel afnemen en mijn stevige tred verviel in gestrompel van een oude man op de rand van het graf. Af en toe struikelde ik over een uitstekende boomwortel, naarmate de duisternis volledig werd had ik niet eens wortels meer nodig en viel ik over mijn eigen voeten. Al mijn spieren deden pijn, de kou zat in mijn botten en deed mij rillen als een herfstblad, mijn hart bonkte in mijn keel. Toen ik een laatste maal viel en de kracht niet meer had overeind te komen, was de duisternis inktzwart en volledig. Het laatste dat ik hoorde was de herinnering aan het gesis van Irma en daarmee zakte ik weg.’
El Gambarro draait met de hak van zijn schoen rondjes in het woestijnzand en tuurt naar het bergmassief aan de oostelijke horizon. Een minuut of vijf zwijgt hij, terwijl Thom probeert te bevatten wat Gamberro hem heeft verteld.

‘Toen ik wakker werd, kon ik me dat alles niet meteen herinneren. Ik voelde de warmte van de ochtendzon op mijn lichaam en opende mijn ogen. Terwijl ik overeind kwam, keek ik verdwaasd om me heen. Ik zat in de berm van Route 161. Pas toen ik een paar honderd meter verderop jouw tankstation zag, herinnerde ik met Irma’s laatste woord en daardoor alles wat zich daarvoor had afgespeeld. Tenminste, in de vorm zoals ik dat jou zojuist heb verteld.’
Thom kijkt El Gamberro gefascineerd, maar vol ongeloof aan. ‘En wanneer zou dit alles gebeurd moeten zijn?’
El Gamberro haalt zijn schouders op. ‘Wie zal het zeggen? Maar dat wakker worden langs de 161 was vanochtend. Ik ben opgestaan en jouw kant uit gelopen. De rest weet je.’ Hij schopt zijn inmiddels platgetrapte bierblik richting het pompeiland. ‘Kom, Tommy-Boy, haal nog een laatste biertje voor me.’
Wanneer Thom weer buiten komt, is Gamberro’s stoel leeg. Thom kijkt verbaasd om zich heen en ziet hem vanachter een van de pompen tevoorschijn stappen. Het zonlicht schittert op het metaal van de revolver die Gamba op hem gericht houdt.
‘Het voelt misschien niet zo, maar ik heb jou een zeldzame gunst verleend, Thom. Dankzij mij weet je dat je straks Saint Ann’s Diner links moet laten liggen. Fred zal op je staan te wachten, maar wens hem de vlektyfus en blijf de 161 volgen tot het einde dat nooit komt.’ Hij spant de haan van de revolver, de klik klinkt droog in de lege woestijn. ‘Misschien kom je me daar nog wel eens tegen, want ik ga nu doen wat ik Irma schuldig ben.’
De laatste seconden van Thoms leven spelen zich af in slow motion. Het besef wat Gamberro’s belofte aan Irma moet inhouden en de kogel bereiken Thom vrijwel tegelijkertijd. Hij deinst nog twee stappen terug en valt daarna ruggelings tegen de deur van zijn tankstation. Het belletje rinkelt en luidt een nieuw tijdperk in.

Toen de zon de volgende ochtend boven het oostelijke bergmassief uit klom, schetste ze met haar eerste stralen een nieuwe dag die op het oog in niets verschilde van de talloze dagen die hem waren voorgegaan. Maar de weinigen die het waagden de 161 naar het zuiden te nemen, zouden de laatste pomp voortaan laten voor wat het was en veertig kilometer verderop hun onheil ontmoeten. Zo niet Thom Knox, die ten tweeden male in zijn vaders voetsporen was getreden.

Van hem werd nooit meer iets vernomen.

 

Inzending Harland Award 2021

Ik deel hier de lakens uit – kort verhaal

14 december 2021 door Frank Jacobs Reageer

meeuwAls een spookverschijning strompelt hij door de gang die naar schoonmaakmiddel en te veel potpourri ruikt.  De straatlantaarns buiten projecteren zijn schaduw op de wanden, van het kleine hoopje dat van hem rest tot groter dan hij ooit was en weer terug. Vanachter sommige deuren klinkt gesnurk van medebewoners, wachtend op de dood. Sommigen met angst en beven, anderen met open armen. Zelf is hij daar nog niet uit. Wat zijn je resterende dagen waard wanneer je ze aftelt? Hij zou er iets van kunnen maken door op zijn kamer terug te dromen naar betere tijden, maar de verplegers komen om de haverklap binnenlopen. Waarschijnlijk kloppen ze eerst, maar hij is te doof om dat te horen. Alleen wanneer hij praat, laten ze hem met rust. Dan denken ze dat hij met familie belt, maar ze hebben geen idee dat op zulke momenten de urn van zijn vrouw op tafel staat en hij haar vertelt dat hij haar mist.
Nog voordat hij het einde van de gang heeft bereikt, wordt hem de weg versperd door de nachtzuster. “Kom, mijnheer Peet, terug naar bed. Het is midden in de nacht.”
Hij zou haar graag vertellen dat híj degene is die de lakens uitdeelt, wat zijn hele leven ook zo was, maar tegenwoordig gaat de verpleging over de lakens, dus gromt hij alleen maar wat, terwijl de zuster hem bij de arm neemt en naar zijn kamer begeleidt.



De volgende dag heeft hij bezoek, waarvan hij de plichtmatigheid, zijn dementie ten spijt, feilloos aanvoelt, maar hij is nog scherp genoeg om dat niet te laten merken. Wanneer ik hem vraag of hij het een beetje naar zijn zin heeft, knikt hij. Als ik hem vraag of hij lekker te eten krijgt, tuit hij zijn lippen en haalt hij zijn knokige schouders op: “Het is niet wat mama kookte.”
Voorheen nam ik op zulke gelegenheden een flesje wijn voor hem mee, waar hij ontzettend blij mee was en waar hij een week mee deed, maar onlangs kreeg ik een mailtje van het hoofd verpleging met het verzoek geen drank meer aan mijn vader te geven: “Daar wordt mijnheer vervelend van.”
Door zijn borstelige wenkbrauwen kijkt mijn vader mij vragend aan. Hij zegt niets, maar zijn stem heb ik niet nodig. Die blik vertelde me ooit dat mijn rapport hem teleurstelde. Die ogen maakten me duidelijk dat ik er beter aan deed mijn bord leeg te eten en zijn gezichtsuitdrukking, die door de uitgedroogde korst van vervreemding en afsterving heen breekt, is nog steeds zo helder als toen: “Ik deel hier de lakens uit.”
Ik zwijg, bang om toe te geven dat ik buig voor de regels van het huis.

Wanneer we naar mijn auto lopen, hoor ik achter ons de verpleger van dienst roepen: “Mijnheer Peet, blijft u wel in de buurt?” Papa heeft zijn gehoorapparaat in zijn kamer gelaten, maar toch kijkt hij me met een ondeugende glimlach aan: “Kom jongen, we gaan.”


Broedertwist – kort verhaal

22 augustus 2021 door Frank Jacobs Reageer

Mijn broer was altijd al goed in het laten zakken van zijn broek, maar zijn broek ophouden is nooit zijn sterkste kant geweest. Tot de dag dat hij verdween was hij afhankelijk van wat ik hem toestopte, at hij wat Deardriu voor mij kookte en sliep hij, de nachten dat hij achter zijn pik aan zwalkte daargelaten, in wat ooit ons logeerbed was. Aanvankelijk stoorde dat me niet en tegen de tijd dat zijn aanwezigheid me begon te irriteren, rekende ik op Deardriu om haar zwager de deur te wijzen. Dat gebeurde niet; Dear’ leek een zekere mate van welbehagen te putten uit zijn aanwezigheid. ‘Ik hou van jou,’ zei ze toen ik er een keer naar vroeg, ‘maar Ronny’s onbezonnen vrolijkheid is een prettige afleiding naast jouw sombere zwijgzaamheid.’ Deardriu was toen al ziekelijk en daarom was ik blij met alles wat haar een beetje kon opmonteren.

Nadat Stewart in ons leven was gekomen, hoopte ik dat Deardriu’s moederschap Rons gezelschap te veel zou maken, maar opnieuw kwam ik bedrogen uit. Het tegendeel bleek waar; Ronny speelde met onze kleine jongen, sjouwde met hem over de kliffen die onze akkers scheidden van de oceaan en zong hem in slaap voordat hij met een greep uit onze huishoudkas naar Castlebay vertrok om in een van de pubs zijn zorgeloze bestaan te verdrinken, of een meisje op te pikken dat onnozel genoeg was om in zijn mooie praatjes en innemende lach te tuinen; het een sloot het ander niet uit. Ik zwoegde de dagen door om de paar magere, door eeuwen van oceaanwind geteisterde hectaren die pa ons had nagelaten vruchtbaar te houden en als ik daar niet mee bezig was, ontbraken mij de moed en lust om de lolbroek uit te hangen.

Het was Deardriu’s dood die me uiteindelijk van Ronny verloste. Die gure novemberochtend op Cille Bharra zal in mijn geheugen gegrift blijven staan tot de dag dat ik er zelf te ruste word gelegd. Stewart stond naast me in zijn zwarte pakje, veel te volwassen voor zijn zeven jaren, en knelde zijn handje om mijn vingers, terwijl wat de kanker van zijn moeder had overgelaten in de zwarte, koude aarde verdween, aarde die ons voortbrengt en die ons uiteindelijk opslokt. Terwijl de priester zijn clichés murmelde, gleed mijn blik naar de overkant van de met mos begroeide stenen muur, waar hij die van Ronny kruiste. Mijn broer Ron greep de uitvaart van mijn vrouw aan om zijn schaarse spullen te pakken en te verdwijnen. Hij sloeg zijn ogen neer, maar onderbrak zijn tred geen moment. Stew zag hem ook. Zijn vingertjes knepen in de mijne en de zuidwesterwind nam dat ene woord mee voordat het goed en wel tot mij doordrong. Dad.



Terwijl ik de eerste schep grond op het deksel van mijn vrouws kist liet vallen, verdween mijn broer aan de zuidoostelijke horizon, waar Barra in de uitlopers van de Atlantische Oceaan verdwijnt. Het laatste dat ik van hem zag was de rugzak die ik ooit van pa had gekregen. Die was ik kwijt, net zoals ik Ronny kwijt was, wat mij lief was. Net zoals ik  Deardriu kwijt was, wat mij stuk maakte. Pas veel later raakte ik Stewart kwijt.

Voorzichtig nader ik de auto. Hij staat nog op dezelfde plek waar ik hem vanmorgen ontdekte, bij toeval, toen ik de hekken van het westelijke weiland wilde controleren. Het was zo’n ochtend zoals je die alleen ziet in deze uithoek van de wereld, waar de laatste restjes geluk over de rand dreigen te vallen. De oceaan knabbelde aan de rotsen en het licht was van een gelige warmte, alsof iemand ooit een dia van het landschap had gemaakt en die vijftig jaar in een doos had bewaard, om hem vervolgens over het heden heen te projecteren. Ik zag de oude, gedeukte terreinwagen en wist meteen dat Ronny terug was. Het was precies het soort auto dat Ron zou rijden en niemand anders zou in zo’n uithoek van het eiland zijn kamp opslaan.

Op dat moment begreep ik waarom ik Stewart de hele dag niet had gezien. Dad. Nu zijn mijn laatste twijfels weg. In het laatste avondlicht zie ik de silhouetten in de daktent en beide zijn mij maar al te vertrouwd. Ik hoor hun stemmen en ook die ken ik maar al te goed.

Zachtjes klap ik pa’s oude Zippo open, waarmee ik Ronny’s eerste sigaret in vuur zette. Sindsdien heb ik de aansteker talloze keren hervuld, maar Ron veranderde nimmer. Mijn duim zet het wieltje in beweging en het schrapende geluid over het vuursteentje snijdt door de stilte. De blauwe vonken krijgen vat op de met benzine doordrenkte lont en het vlammetje leeft op. Ik zak door mijn knieën en houd de vlam bij de benzine zie ik rond de auto heb uitgegoten. Het ontbrandt onmiddellijk en in een mum van tijd heeft de cirkel van vuur zich gesloten.

Nadat ik de Zippo in de vuurzee heb gegooid, draai ik me om. Een onheilspellende rust daalt over me neer, de angstkreten achter mij lijken uit een andere dimensie te komen. Wanneer ze zijn verstomd, kolkt de oceaan tientallen meters onder mij. Ik denk aan Ronny en Stewart, die nu dood moeten zijn, ik denk aan alles wat niet meer is. Herinneringen worden op hun mooist wanneer de toekomst is uitgevaagd.

Het gesis van de branding draagt iets wat alleen ik kan horen. Deardriu fluistert in mijn oor. Eerst hoor ik het amper, maar dan zwelt het aan, steeds harder, steeds dichterbij, tot haar stem het enige is dat nog bestaat. De klap wanneer mijn lichaam het water raakt voelt als een bevrijding, de oceaan die mij verzwelgt is een zuivering, waarna alleen Deardriu en ik overblijven.


Over Frank Jacobs

Frank Jacobs (1966) is crossmediaal en multimediaal journalist en schrijft, fotografeert en filmt voor onder meer AutoWeek, NU.nl, Quest Historie, GTO Magazine en Lifestyle Almere. Daarnaast presenteert hij autoprogramma’s op AutoWeek TV en voorheen Discovery Channel.

Hij studeerde automobiel management en Frans en woonde en werkte jarenlang afwisselend in Frankrijk, Engeland, Duitsland en Spanje.

Lees meer over Frank Jacobs.

Zoeken

  • Why Nuclear Energy is a Very Bad Idea
  • Waarom de flitsmarathon onzin en bangmakerij is
Copyright 2015 | Frank Jacobs | KvK Almere 62518755