Frank Jacobs

journalist, schrijver en autojournalist

  • Artikelen
    • De Naardense moordzaak
    • Lost in Transition: energietransitie, maar dan?
    • Karin Slaughter over Tesla
    • Dodenvlucht Neptune 212 wellicht diefstal
    • Neptune 212: dodenvlucht boven Katwijk
    • Dakota 079: de weggemoffelde vliegramp van Biak
    • Het duistere verleden van BMW-familie Quandt
    • Religieuze moord op zee: het geheim van de KW 171
    • Ferdinand Piëch, de geniale megalomaan van Volkswagen
    • Volkswagen: familievetes en stoeltjewip
    • De verdwenen Porsche van James Dean
    • Terugkeer van een dode baron (2)
    • Terugkeer van een dode baron
    • Portfolio
  • Columns
    • Waarom de flitsmarathon onzin en bangmakerij is
    • Dieren mogen worden doodgereden, vindt de Provincie Zuid-Holland
    • Waarom kernenergie een heel slecht idee is
    • Armoede? Je hebt geen idee wat dat is
    • #NederlandVleesland
    • Omgekeerde vlaggen en boerenzakdoeken: zo herken je de simpelen van geest
    • Armoede los je zo op
    • Veevervoer? Complimenten aan Schiphol!
    • Eva Vlaardingerbroek, ga dansjes doen op TikTok
    • Paybacktime
    • Franse probleemjongeren welkom in Nederland
    • Windmolenparken op zee
    • Zijn katten invasieve exoten?
    • Zijn wielrenners asociaal?
    • Second Love: daten voor proleten
    • NewSpace: hoogplassen voor miljardairs
    • Corona: de aarde haalt opgelucht adem
    • Corona: een lesje in bescheidenheid
    • Corona: de zeven pluspunten
    • 2019 en mijn ingebeelde vriend
    • Zwarte Piet? Zand erover
    • De leugens van Koos Spee
    • Foei Halsema!
    • Een dagje aan het strand
    • De mysterieuze verdwijning van Anja Schaap: wat houdt de politie achter?
    • Wannabe-journalisten
    • Thierry Baudet: omfloerste poep
    • Arbeidsparticipatie: een pakketje schroot met een dun laagje chroom
    • Like me of zwijg
    • Vuurwerk? Rot op!
    • Lisette Vroege slachtoffer orgaanhandel?
    • Waarom Schiphol op zee bezopen is
    • Duitsland huichelland
    • Referendum: onderbuikdenkers aan de macht
    • Social influencers
    • Coen was een held
    • Aangifte doen is voor mietjes
    • 2018, het jaar van het non-nieuws
    • Wanneer wordt Lisette Vroege gevonden?
    • Waarom een dierenleven meer waard is dan een mensenleven
    • Boom!
    • Brexit? We still love you!
    • De opkomst van de tekschrijver, de ondergang van de journalist
    • Autojournalist
    • Dit is er mis met grote organisaties
    • Plastic tasjes
    • De armoedegolf van 2035: Zelfstandigen Zonder Perspectief
    • Verlengstuk
    • Vel d’Hiv: hoe bootvluchtelingen je vakantie bederven
    • Terug in je kist!
  • Korte verhalen
    • Op Slot – kort verhaal
    • De Laatste Pomp – kort verhaal
    • Ik deel hier de lakens uit – kort verhaal
    • Broedertwist – kort verhaal
  • Foto
    • Photography
  • Video
    • Documentaires
    • Autoweek TV
    • Fifth Gear Europe
    • Tuf-tuf Club op TV
  • Contact
    • Over Frank
    • Contact
    • English
    • Français
    • Deutsch
  • Email
  • Facebook
  • Google+
  • Instagram
  • LinkedIn
  • Twitter
  • YouTube
Contact

De Naardense moordzaak

26 mei 2024 door Frank Jacobs Reageer

In de lente van 1950 wordt Nederland opgeschrikt door een gruwelijke moord. In de rietkraag van de vestinggracht van Naarden vindt de politie het toegetakelde lichaam van een jonge vrouw. De dader is dan al opgepakt en heeft bekend. Maar pas later komt de verbijsterende geschiedenis, die leidde tot deze crime passionel, boven.

Deze afschuwelijke geschiedenis begint een kleine drie jaar eerder heel mooi en idyllisch op een Fries meer. De dan twintigjarige dienstplichtig soldaat Hans B. uit Haarlem staat op het punt naar Nederlands-Indië uitgezonden te worden. Voordat hij op de boot naar het oosten gaat, brengt hij op uitnodiging van een vriend nog een lang weekend door om en op het Sneekermeer. De Sneekweek 1947 is gezegend met prachtig zomerweer en het is heel druk.

Plotseling valt Hans’ blik op een jong meisje en zijn hart slaat op hol, zo schrijft hij later: ‘Ik hield van haar, vanaf het eerste ogenblik dat ik haar zag.’ Hij verliest haar weer uit het oog, maar de volgende dag ziet hij het meisje opnieuw. Ditmaal staat ze te midden van een groep jongens en het zichtbare plezier dat ze daaraan beleeft, maakt Hans, zoals hij zelf omschrijft, razend.

Driemaal is scheepsrecht, ook op het Sneekermeer, zodat Hans de derde dag eindelijk contact met het meisje weet te maken. Aan het begin van de middag vliegt een politieboot in brand en terwijl hij naar het vuur staat te kijken, ontdekt hij in de menigte ramptoeristen het mikpunt van zijn nieuwe begeerte. Hij spreekt haar aan met ‘Machtige fik, hè?’. Ze stelt zich voor als Martha, maar Hans maakt daar meteen Matty van. Ze brengen de rest van de dag in elkaars gezelschap door en spreken voor die avond af in een dancing in Sneek. Tegen het eind van de dansavond begeleidt Hans Martha naar huis en onderweg flikflooien en zoenen ze wat. Martha belooft Hans de volgende dag naar het station te begeleiden, onwetend dat hij binnenkort voor drie jaar naar Indonesië vertrekt, maar komt niet meer opdagen.



Nog voordat hij werkelijk vertrekt, ontvangt Hans in de kazerne in Breda een brief van Martha. Ze nodigt hem uit het volgend weekend in Joure, waar ze woont, omdat ze dan haar zeventiende verjaardag viert. Met pijn in zijn hart laat Hans verstek gaan; hij krijgt geen toestemming meer de kazerne te verlaten.

Gevoel voor romantiek mag hem in elk geval niet worden ontzegd, zo blijkt uit zijn eigen tekst over die tijd: ‘Ik stond aan de reling en keek naar de horizon, waar de gele lijn van de Nederlandse duinen langzaam vervaagde. Maar ik zag het niet, want voor mijn ogen zweefde het lieve gezichtje van het blonde meisje, dat ik Matty genoemd had.’

Meer meisjes

Tijdens het eerste halfjaar van zijn verblijf in Indonesië corresponderen Martha en Hans op regelmatige basis. Volgens Hans waren haar brieven weinig zeggend, wat hem ertoe bracht haar te schrijven dat ze maar beter niet op hem zou wachten. Wat daar aan zal hebben bijgedragen, is dat Hans volgens zijn dienstmaten met wel meer meisjes correspondeert in die tijd. Daaronder de Amsterdamse Freddy Schutte, die hij van voor zijn diensttijd kent en die hij ineens tegenover zijn dienstmaten als zijn verkering benoemt. Vier maanden hoort hij niets meer van Martha, tot er ineens een brief ligt vol pijn en verdriet, waarin Martha, dat zegt Hans tenminste, bezweert dat ze als het nodig is wel tien jaar op hem wil wachten. Dat doet Hans’ passie weer opbloeien en de brieven die daar op volgen, helpen hem moreel door de rest van zijn zware tijd in de rimboe heen.

Hans’ relaas wordt vanaf dat moment een beetje ongeloofwaardig. Hij schrijft dat Matty op een zeker moment bij zijn moeder inwoont, omdat ze bevriend is geraakt met zijn zus Puck. Feit is echter dat we over een brief beschikken die Puck begin 1950 aan Martha schrijft, dus op een of andere manier moeten de dames elkaar na het korte avontuur tussen Hans en Martha hebben leren kennen. Hoe dan ook, terwijl Hans de dagen aftelt tot hij terug naar Nederland kan om Martha’s schriftelijke beloften als ‘je mag alles met me doen’ te verzilveren, krijgt hij een laatste brief van Martha, waarin ze schrijft dat ze verliefd is geworden op de zoon van vrienden van zijn moeder, Jan Foudraine, een medicijnenstudent van haar leeftijd. Hans is diep teleurgesteld en des duivels.

Hans grijpt zijn kans

Op vrijdag 24 maart 1950 meert troepentransportschip SS Waterman aan in de haven van Rotterdam. Hans en zijn maten zijn thuis en Hans trekt weer in bij zijn moeder in Haarlem. Twee dagen na zijn thuiskomst staat Martha daar op de stoep. Met de student is het allang uit en Hans grijpt zijn kans. De dagen die volgen weet hij zich amper raad van vreugde en al zijn hoop richt zich op een lang en gelukkig leven met zijn ‘Matty’ als zijn vrouw. Als we Hans’ teksten mogen geloven, doet Martha alles om hem in die waan te laten. Ze is inmiddels verpleegster in opleiding in het Diaconessenziekenhuis in Naarden, waar ze ook woont en Hans probeert ondertussen een plek te krijgen op de politieschool. Maar hij besluit dat ze beiden maar moeten afzien van verdere opleiding en zo gauw mogelijk een huis en werk moeten zoeken. Martha denkt daar echter heel anders over. Haar ouders zijn welgesteld, vinden de werkloze, laag opgeleide zoon van gescheiden ouders geen partij voor hun dochter en dreigen haar studietoelage stop te zetten als ze met Hans doorgaat. Martha wil zich naar haar ouders voegen, Hans besluit dan dat, als hij haar niet kan hebben, niemand anders dat zal doen.

Tenminste, dat is het relaas van Hans in zijn ‘Ik, moordenaar’ getitelde tekst. Maar als we de vele getuigenverklaringen uit het politiedossier mogen geloven, zat de werkelijkheid nog een stuk gecompliceerder in elkaar. In dat dossier vinden we bovendien naast Hans’ afscheidsbrief aan zijn moeder en geschreven aanklacht aan Martha’s vader verontrustende, maar fascinerende briefwisselingen tussen Martha, Hans en diens beste vriend Fokke, waaruit een akelige, ongemakkelijke driehoeksverhouding blijkt.

Vrijpostig gedrag

Fokke Hofman, zoon van een Groningse hotelier, was samen met Hans in Indonesië en het tweetal was volgens getuigen al die tijd onafscheidelijk. Op Zondag 16 april 1950 is Fokke dan ook een van de genodigden op een feestje ten huize van Hans in Haarlem. Ook Martha is natuurlijk van de partij en het valt die avond meerdere getuigen op dat ze meer aandacht heeft voor Fokke dan voor Hans. De drank vloeit rijkelijk en dat is dan ook het excuus dat Fokke later aanwendt wanneer Hans hem per brief aanspreekt op het vrijpostige gedrag tussen hem en Martha. Fokke antwoordt dat hij zich nergens zorgen over hoeft te maken.

Of Fokke dat nou meent of niet, het heeft er alle schijn van dat Martha daar anders over denkt. Kort na de beruchte fuif reist ze naar Groningen, waar ze samen met Fokke op kroegentocht gaat, Hans in de veronderstelling latend dat ze bij haar ouders in Joure is, om toestemming te vragen voor de verloving met Hans.

Vleselijke gemeenschap

Na de stappartij overnacht Martha in een aparte kamer in Fokkes vaders hotel. Op de vraag van de politie of er ‘vleselijke gemeenschap’ (sorry, ik citeer uit een politieverslag uit 1950) heeft plaatsgevonden, antwoordt Fokke dat hij zich dat niet kan herinneren. Maar hij vermoedt van niet, omdat hij met zoveel drank op nergens toe in staat zou zijn geweest.

Ondertussen beginnen bij Hans alle alarmbellen te rinkelen. Mensen in zijn omgeving waarschuwen hem: Martha houdt niet van hem, ze zou er een promiscue levensstijl op na houden. Hij schrijft een brief aan Fokke, waarin hij, zich beroepend op hun vriendschap, hem vraagt het eerlijk te zeggen als Martha contact met hem opneemt.



De brieven die Hans gedurende de maand april aan Martha schrijft, moeten haar op haar beurt ook hebben verontrust. Zijn devotie grenst aan het manische en moet elke weldenkende jonge vrouw angst hebben ingeboet. Hij sommeert haar haar opleiding af te breken en met hem bij zijn vader in te trekken. Voor een jonge vrouw van nog geen twintig moet dit verstikkend zijn geweest.

Blufpoker

Uiteindelijk ziet Hans Martha weer op vrijdag 5 mei 1950. Ze drinken wat bij De Gooise Boer in Bussum, tegenwoordig een garagebedrijf. De uitspanning werd beroemd omdat Winston Churchill er op doorreis ooit een biertje dronk. Wanneer Hans Martha vraagt wat ze wil drinken, vraagt ze om een cola tik, ofwel met een scheut jenever. Dat verontrust hem nog meer, want Martha heeft vrijwel geen ervaring met alcohol en cola tik is toevallig Fokkes favoriete drankje. Hans vraagt haar wat haar vaders reactie was op hun voorgenomen verloving, waarop ze antwoordt dat ze er niet met hem over heeft kunnen hebben, omdat ze met een vriendin naar Groningen was gegaan om te shoppen. Hans vraagt of ze niet toevallig voor Fokke in Groningen was. Martha ontkent dat, maar dan bluft Hans dat Fokke hem dat heeft geschreven. Daar trapt ze in en ze slaat door, waarna bij Hans alle stoppen doorslaan. Op dat moment, zo vertelt hij de politie later, besluit hij haar de volgende dag te doden en daarna de hand aan zichzelf te slaan. Wat we nu weten is dat hij al een paar weken met dat plan rondloopt.

Ik, moordenaar

Zaterdag 6 mei 1950 bereidt Hans zijn verschrikkelijke plan minutieus voor. Hij schrijft enkele epistels over hoe hij tot zijn daden is gekomen, getiteld ‘Ik, moordenaar’ en ‘Soldaat, erger je niet’, waarop een deel van dit verhaal is gebaseerd, een afscheidsbrief aan zijn moeder (die ondertussen af en toe nietsvermoedend langsloopt) en een meedogenloze verklaring aan Martha’s vader, waarin hij hem verantwoordelijk stelt voor het naderende drama. Daarna koopt hij bij een ijzerwarenhandel in Haarlem een dolk. Begin van de avond stapt hij op de trein naar Naarden, waar Martha hem verwacht, onwetend van het gruwelijke lot dat haar te wachten staat. Rond acht uur ’s avonds haalt Hans haar op voor het Diaconessenhuis, waarna ze in hotel Den Hul in Naarden enkele drankjes doen.

Dolk

Tegen het einde van die avond, in het overvolle café Cosy Corner aan de Grote Markt in Haarlem, zitten twee vrienden van middelbare leeftijd, Willem Blok en Henk Groenendaal, aan de bar de week weg te drinken. Kort na middernacht zien ze een jongeman binnen stappen. Hij komt vlak naast ze aan de bar staan en bestelt vijf borrels, die hij tot hun verbazing achter elkaar achterover slaat. Wanneer ze met hem aan de praat raken, merken Willem en Henk al gauw dat de jongeman, die zich voorstelt als Hans, nogal warrig gedrag vertoont. Hij doet zijn beklag over zijn ringloze vingers, maakt wat suggestieve opmerkingen over een gepleegde moord en toont de dolk die hij in zijn binnenzak heeft. De vrienden doen de verhalen af als dronkenmansgebazel en schenken er weinig aandacht aan.

Wanneer om één uur ’s nachts Cosy Corner dichtgaat, besluiten Willem en Henk nog even naar Zandvoort te gaan, waar de horeca langer open blijft. Ze roepen een taxi aan en Hans voegt zich bij hen, zodat ze gedrieën instappen. Onderweg weet Henk, die de achterbank met Hans deelt, hem de dolk ongemerkt afhandig te maken. In Zandvoort aangekomen bij café Casablanca, blijft Hans nog even in de taxi zitten, waar hij de chauffeur al zijn geld biedt als hij zo hard mogelijk tegen een boom rijdt. De chauffeur bedankt vriendelijk voor de eer en gaat samen met het drietal het café binnen.

Geronnen bloed

Daar begint Hans opnieuw over de vermeende moord. Op het toilet demonstreert hij Willem hoe hij het gedaan heeft, door een arm om zijn nek te slaan en met zijn vrije hand een snijbeweging langs diens hals te maken. Terug in de gelagkamer knijpt hij een borrelglas kapot, wat voor Willem de laatste druppel is; die jongen is hard aan zijn bed toe.

Ze rijden in de taxi terug naar Haarlem, waar eerst Henk thuis wordt afgezet. De taxi rijdt door naar Hans’ ouderlijk huis, waar hij uitstapt en in de nacht verdwijnt. De taxichauffeur en Willem bekijken het mes, dat Henk eerder aan Willem heeft overhandigd, nog eens goed en zien dat er geronnen bloed op het lemmet zit. Dat geeft ze het laatste duwtje en ze rijden meteen door naar het politiebureau om te vertellen wat ze hebben meegemaakt en gehoord.

De politie neemt hun verhaal serieus en belt eerst met het bureau Naarden om te informeren of daar een meisje is vermist of dat er een moord is gepleegd. Op beide vragen is het antwoord negatief, maar de agenten zijn er niet gerust op en snellen naar het adres waar de taxichauffeur en Willem Hans eerder hebben afgezet. Hans’ moeder doet verbaasd open en zegt dat haar zoon een uur eerder is thuisgekomen en meteen doorgegaan is naar zijn bed. Op aandringen van de politie gaat ze naar boven, waar ze Hans schijnbaar levenloos, badend in zijn eigen bloed, met doorgesneden pols, aantreft.

Ik heb haar in de poel gesodemieterd

Maar Hans is niet dood. Een toegesnelde arts weet hem weer enigszins te stabiliseren, alvorens Hans per ambulance naar het ziekenhuis wordt gebracht. Ondertussen vertelt zijn moeder aan de politie dat haar zoon relatieproblemen heeft met een leerling-verpleegster uit Naarden, genaamd Martha Keverling. Een van de agenten belt met het Diaconessenhuis. Martha’s bed is leeg en onbeslapen: reden genoeg voor de politie Haarlem om de collega’s in Naarden in te lichten.

Rond half zeven in de zondagochtend is Hans genoeg opgelapt om te worden verhoord. Hij geeft zijn daad meteen toe en vertelt de agenten waar ze het lichaam van Martha zullen aantreffen: links, net voorbij de tweede loopbrug, in het riet: ‘Ik heb haar in een poel gesodemieterd.’ De politie van Naarden snelt erheen en vindt inderdaad het gruwelijk verminkte lijk van een jonge vrouw.

Geen enkel berouw

Tijdens de verhoren die de dagen daarop volgen, toont Hans geen enkel berouw. Hij vertelt tot in detail hoe hij Martha meenam naar de verlaten Naardense vestingwallen, daar nog een tijdje met haar praatte en vrijde, haar tenslotte de vraag stelde of ze van hem hield en toen haar antwoord negatief was, de dolk uit zijn zak trok, het lemmet in haar hals stiet en haar keel doorsneed. Ze strompelde al gorgelend nog een eind terug naar waar ze vandaan waren gekomen en stortte toen ter aarde, waarna Hans haar bij de enkels pakte en het riet in trok. Na zijn daad nam hij de bus naar station Bussum, waar hij de trein naar Amsterdam pakte. Daar aangekomen stapte hij in een taxi naar Haarlem, om in Cosy Corner zijn daad te verdrinken en op te biechten.

Met haar negatieve antwoord op de vraag van Hans of ze van hem hield, heeft de negentienjarige Martha Keverling haar doodvonnis getekend, concludeert de president van de rechtbank Amsterdam tijdens de inhoudelijke behandeling, begin november 1950. Ruim twee weken voor de moord had Hans haar ook al gevraagd of ze van hem hield. Ze had toen onder zijn jas een aardappelmesje gevoeld en uit lijfsbehoud positief geantwoord, wat Hans ervan zou hebben weerhouden zijn voorgenomen daad te plegen.

Speels

Het is naar onze huidige normen nauwelijks meer voor te stellen, maar Hans’ advocaat, de destijds bekende strafpleiter François Pauwels, brengt als verzachtende omstandigheid aan dat Martha Keverling een beeldschoon meisje was met betoverende ogen. Dat echter, ‘zoals zoveel voorkomt bij knappe meisjes, speels was’. Een van de politiemannen die aan de zaak werkte, korpschef Guus Jacobs, maakt het nog bonter door – weliswaar in zijn privé-omgeving – te stellen dat mejuffrouw Keverling het ook wel een beetje aan zichzelf te danken had, omdat ze ‘als een vlinder van bloem naar bloem ging’.

Hans betreurt slechts dat de politie hem de fatale avond op tijd vond zodat zijn zelfmoord niet effectief was. Uit diverse getuigenverklaringen en zijn eigen woorden blijkt onomstotelijk dat hij wekenlang heeft rondgelopen met het plan Martha Keverling te vermoorden, zodat moord bewezen is. Bovendien wordt hij volledig toerekeningsvatbaar verklaard. De grove bewoordingen waarin hij zich tegenover de politie uitliet over zijn daad doen hem evenmin goed. De president bestempelt hem als ‘egocentrisch, ijzingwekkend hard, koud en gevaarlijk’. Wat hem behoedt voor levenslang zijn het feit dat zijn ouders uit elkaar gingen toen hij op de kwetsbare leeftijd van elf jaar was, zijn tijd in Indonesië en het gegeven dat hij in de aanloop naar zijn misdaad geen werk had en met zijn ziel onder de arm liep. De officier van justitie eist twintig jaar. Veertien dagen later luidt het vonnis vijftien jaar gevangenis.

Betreurd

Hoe het hem verder verging? Vanaf dat moment is er amper meer iets te vinden over het leven van Hans B. Hij moet op zijn laatst in de lente van 1965 op vrije voeten zijn gekomen, nog geen veertig jaar oud en dus mogelijk nog een half leven voor zich. Na enig graven ontdekte ik dat hij op 2 december 1976, enkele dagen voor zijn vijftigste verjaardag, in Alkmaar is overleden, betreurd door een vrouw en twee kinderen. In De Telegraaf van 4 december staat een overlijdensadvertentie, die me aanknopingspunten geeft. Daardoor weet ik uiteindelijk een van de nabestaanden op te sporen, maar wanneer ik haar vraag hoe het Hans B. na zijn detentie is vergaan, antwoordt ze: ‘De nog levende familieleden hebben de verschrikkelijke gebeurtenis zelf niet meegemaakt omdat ze baby of nog niet geboren waren. Wat betreft het verdere leven van Hans, wil ik aangeven dat de familie na al die jaren de oorlog van Hans een plaats heeft kunnen geven en daar willen wij hem laten.’ Daar kan ik uiteraard alleen maar respect voor hebben.

Maar dat de zaak nog steeds niet helemaal vergeten is, ontdek ik wanneer ik, het oude politiedossier onder mijn arm, op het Vestingpad van Naarden foto’s maak van de crime scene van driekwart eeuw geleden. Een hoogbejaarde man die toevallig voorbij komt, vraagt me wat er nou zo interessant is aan een rietkraag. Ik vertel hem dat hier 74 jaar geleden een trieste misdaad werd gepleegd en dat mijn opa als korpschef van Naarden het onderzoek leidde, waarop zijn ogen beginnen te glimmen. ‘Wist u dat de oudere Naardenaren dit nog steeds ‘het Moordpaadje’ noemen?


Wanneer wordt Lisette Vroege gevonden?

1 juni 2019 door Frank Jacobs 4 Reacties

Spoorloos verdwijnen lijkt onmogelijk in een overvol land als het onze. Toch gebeurt het af en toe. Onlangs opnieuw, toen de 33-jarige Anja Schaap na een avondje stappen in Katwijk niet meer thuis kwam. Inmiddels is Anja Schaap gevonden, maar dat gebeurde nooit met Lisette Vroege, een vrouw van midden twintig die op een mooie zomeravond in 1992 volslagen onverwacht in het niets verdween. Waarom is Lisette tot op de dag van vandaag onvindbaar?

Het is woensdagavond 3 juni 1992. Op het terras van tennisclub WOC, aan de Zeeweg die Haarlem met Bloemendaal aan Zee verbindt, zit de 27-jarige Lisette Vroege bij te komen van een uurtje tennis. Ze heeft net met een makelaar gesproken, omdat ze op zoek is naar een nieuwe woning. Tegen negenen hangt de zon al laag boven de Noordzee. De schaduwen van de bomen rond het sportcomplex worden langer en Lisette krijgt het koud. Ze zegt tegen haar vriend Dinand Heiner (26), die nog een balletje slaat, dat ze vast naar huis gaat en stapt in haar blauwe Volkswagen Polo met kenteken JK-28-HJ. Ze rijdt in zo’n tien minuten naar haar appartement op de eerste verdieping van Kleverparkweg 44, een statig herenhuis ten noorden van het centrum van Haarlem.
Het is een leuk appartement, maar Lisette heeft van haar huurbaas te horen gekregen dat ze er uit moet. Hij gaat verbouwen en wanneer dat klaar is, zal de huur te hoog zijn voor de jonge, net afgestudeerde fysiotherapeute. Vijf voor half tien zien twee buurvrouwen en een passerende hardloopster nog hoe Lisette haar auto parkeert en door het tuinhekje naar de voordeur loopt. Het is de laatste bekende keer dat iemand Lisette heeft gezien.

Dinand wacht een verrassing

Volgens zijn eigen verklaring arriveert vriend Dinand (soms geschreven als Dynand, Dynant of Dinant) rond tienen bij Lisette’s huis. Al vanaf de straat ziet hij dat er geen licht brandt, terwijl zowel Lisette’s auto als haar fiets gewoon voor de deur staan. Binnen wacht hem, zo vertelt hij de politie, een tweede verrassing. Lisette’s tennisschoenen en racket staan niet, zoals gebruikelijk, onderaan de trap. Bovendien is ook de deur boven, de toegang tot het appartement, op slot. In 1992 heeft nog niemand een gsm op zak, dus Dinand kan niet veel meer doen dan afwachten. Wanneer Lisette om elf uur nog geen teken van leven heeft gegeven, belt hij de politie. Die ziet in zo’n korte verdwijning nog geen reden tot paniek en ook wanneer Dinand een half uur later nog eens belt en een derde keer om kwart over twee, zegt de politie dat ze vast gauw weer terug zal komen.



Ruziënde man en vrouw

Maar terugkomen doet Lisette niet. Ze blijft de hele nacht weg en de volgende dag neemt de politie aangifte op van vermissing. Het gebruikelijke onderzoek komt op gang, maar er wordt geen enkel spoor van geweld of andere aanwijzingen gevonden die indicaties geven wat er met de jonge vrouw is gebeurd nadat ze die woensdagavond naar haar voordeur liep. Een buurvrouw denkt een ruziënde man en vrouw te hebben gehoord, maar haar verklaring is te onzeker; ze had het geluid van de televisie nogal hard staan. Lisette is onvindbaar, net als haar schoenen en racket. Dat laatste is voor de recherche reden om aan te nemen dat Lisette niet naar binnen is gegaan. Werd ze voor de deur door iemand aangesproken en is ze met hem (of haar), al dan niet vrijwillig, meegegaan?
De vrienden van Lisette beginnen een posteractie en burgers gaan massaal op zoek. De lokale Rotary, een hengelclub, Lisette’s oude middelbare school: de betrokkenheid is groot. Helderzienden turen in hun glazen bollen, maar van Lisette geen spoor en de zaak zit muurvast.

Zelfmoordscenario

Op 26 oktober, een kleine vijf maanden na de verdwijning, wordt in het talud van de Delftlaan, ter hoogte van de tegenwoordige ijsbaanhal, hemelsbreed zo’n achthonderd meter van haar woning, Lisette’s Donnay-racket gevonden. Het is gebroken. De politie zoekt de omgeving verder af en vindt vier dagen later in een sloot een van de vermiste tennisschoenen. Het NFI vindt op de spullen geen bruikbare sporen, maar dat en hoe ze gevonden zijn, maakt de kans dat Lisette vrijwillig is verdwenen wel een stuk kleiner. Die was overigens al niet heel groot, omdat ze verder helemaal niets had meegenomen die woensdagavond. Ook het zelfmoordscenario is nu een stuk minder aannemelijk, al was dat al erg onwaarschijnlijk. Waarom zou ze eerst naar huis zijn gegaan om vervolgens met haar racket onder de arm elders een eind aan haar leven te maken?

Neurotische bokser

Vele jaren later, in 2012, spreken rechercheurs van een ‘kale verdwijning’: geen lijk, geen motief, geen bloedsporen, geen teken van leven. In de eerste uren na de verdwijning had de politie alerter moeten zijn, erkennen ze tegenover de Volkskrant. Een cold case-onderzoek uit 2011 levert niets op en ook de tips die een uitzending van Opsporing Verzocht in januari 2011 oplevert, lopen dood.

Hoewel er geen sluitend bewijs tegen hem is, wijst alles naar Lisette’s vriend Dinand

Wat er nu werkelijk is gebeurd met Lisette Vroege, is ruim een kwart eeuw later nog steeds een raadsel. Wie de weinige feiten op een rij zet, kan bijna niet anders dan geloven dat ze vrijwillig met iemand mee is gegaan. Ze was een jonge, gezonde vrouw en dus prima in staat zich te verzetten. Dat zou door de buren gezien of gehoord moeten zijn. Bovendien zijn er geen sporen van een handgemeen of ander geweld in of rond haar huis gevonden. Van vriend Dinand werd gezegd dat hij jaloers uit de hoek kon komen, hij had een sleutel van haar huis en met hem zou ze in alle vertrouwen mee zijn gegaan. Had hij haar gesprek met de makelaar die avond op de tennisclub verkeerd opgevat en is hij daardoor doorgeslagen? Het is vreemd dat hij al na een half uur de politie belde en zijn reacties tegenover de media, waaronder een verslaggever van Tros Vermist, waren ronduit agressief. Zo schreef een journalist van de Volkskrant dat hij tijdens hun gesprek ‘om hem heen danste als een neurotische bokser’.



Geen sluitend bewijs

Opmerkelijk is ook de grote mate waarop Dinand al die jaren uit de wind werd gehouden. Hoewel er voor zover bekend geen enkel sluitend bewijs tegen hem is, wijst alles naar hem, terwijl elk ander scenario al gauw vastloopt. Alleen hij had een sleutel van haar woning, het feit dat haar schoen los werd gevonden wijst erop dat ze binnen is geweest, terwijl drie getuigen haar alleen thuis hebben zien komen. En wie belt er na een half uur al de politie wanneer een 27-jarige vrouw niet thuis blijkt? Indien hij onschuldig is, zou Dinand als vriend van het slachtoffer zelf ook slachtoffer zijn. In plaats daarvan verdwijnt hij volledig van de radar. Iedereen weet dat Michael P. Panhuis heet, Jos de G. De Graaf en Jos B. Brech, maar van Dinand weten we nagenoeg niets. Zelfs de spelling van zijn voornaam wisselt, wat hem nog moeilijker te vinden maakt.

Onder IJshal begaven

Wie het ook was, de dader heeft Lisette Vroege meesterlijk laten verdwijnen. Gezien de vindplaats van de schoen en het racket is het niet ondenkbaar dat haar resten onder een dikke laag beton en ijs liggen. In 1992 was de bouw van IJshal Haarlem net begonnen en werd de betonnen fundering gegoten. Wellicht was de dader zo geslepen om haar in de bouwput te begraven, zodat de bouwvakkers de klus voor hem afmaakten en dan ligt Lisette Vroege tot de dag van vandaag onder het sportcomplex. En dan wordt ze misschien toch nog gevonden, ooit, wanneer de schaatshal tegen de vlakte gaat. Maar zelfs als dat gebeurt, is het maar de vraag of haar resten dan nog sporen vertonen die leiden naar de dader. Als die dan nog leeft.

Kijk ook de minidocu over Lisette Vroege:

Lisette Vroege slachtoffer orgaanhandel?

28 december 2018 door Frank Jacobs 1 Reactie

Eerder schreef ik over de mysterieuze verdwijning van Lisette Vroege, ruim een kwart eeuw geleden in Haarlem. Naar aanleiding van die column werd ik benaderd door een man die een heel eigen kijk heeft op het mysterie en er zelfs een mogelijke verklaring voor heeft. Inclusief vermeende daders, met naam en toenaam.

‘De Fantast van Haarlem’: de weinig flatteuze titel die zijn tegenstanders hem hebben gegeven, heeft George de Vries zichzelf als geuzennaam aangemeten, als om te zeggen dat hij er geen seconde wakker van ligt. Of dat verstandig is waag ik te betwijfelen. George bijt zich al meer dan dertig jaar als een terriër vast in de nooit opgeloste verdwijning van Cheryl Morriën en schreef daar zelfs een boek over. Door jezelf fantast te noemen, al is het maar uit cynisme, bewijs je je eigen geloofwaardigheid geen dienst.

Toch heb ik gefascineerd naar het verhaal van George geluisterd. Want zelfs al zou hij hier en daar wat zijn doorgedraafd met zijn theorieën, nog steeds is het een man die is blijven zoeken en (soms letterlijk) graven nadat politie en justitie het dossier reeds lang hadden gesloten. Al is maar tien procent van wat hij denkt te weten waar, dan is hij nog steeds verder dan de officiële instanties.

De preoccupatie van George de Vries richt zich aanvankelijk op Cheryl Morriën, een zevenjarig meisje dat op 5 augustus 1986 spoorloos verdween in haar woonplaats IJmuiden. Hij begint zijn eigen speurtocht, loopt daarbij keer op keer tegen een muur van onwil en ongeloof bij justitie en schrijft een boek over de zaak, waarin hij stelt dat de beoogde dader, de inmiddels overleden seriemoordenaar Michel Stockx, niets te maken heeft met de verdwijning van Cheryl.
Tijdens zijn onderzoek stuit De Vries op verbanden met de vermissing van Lisette Vroege, een zaak die zes jaar na de verdwijning van Cheryl Morriën speelt. De Vries denkt dat beiden in handen vielen van dezelfde illegale orgaanhandelaren, van wie hij zelfs de namen en adressen weet te vertellen.

De Vries’ betrokkenheid bij de zaak Morriën begint op dinsdagmiddag 5 augustus 1986, de dag van Cheryls verdwijning. Hij loopt in die tijd meerdere keren per week hard in de Kennemerduinen, waar hij dan heen fiets om zijn fiets bij Het Wed, aan de Zeeweg in Overveen, te stallen. Die middag ziet hij op die parkeerplaats een groene Lada stationcar staan en even verderop een oranje Ford Transit bus. Tijdens zijn ronde, over een pad dat parallel loopt aan de Hoge Duin en Daalseweg in Bloemendaal, ziet hij tot zijn verbazing twee mannen in pak de struiken uit komen. Wanneer hij een uur later terug bij de parkeerplaats is, zijn de Lada en de Ford verdwenen.



Nou komen er in natuurgebieden wel vaker heren uit struiken gekropen, maar als een week na de verdwijning compositietekeningen op tv worden getoond van de mannen bij wie Cheryl voor het laatst in de auto werd gezien, denkt De Vries het tweetal te herkennen. Dan legt hij ook het verband tussen de Lada waarin Cheryl verdween en de Lada die hij die dag bij Het Wed heeft gezien. Toch meldt hij dit niet bij de politie. Om persoonlijke redenen, schrijft hij in zijn boek. Dat klinkt wat dubieus, maar tegenover mij heeft hij de omstandigheden toegelicht en je mag van me aannemen dat zijn motivatie begrijpelijk was en boven twijfel verheven.

Pas drie jaar later besluit hij met zijn bevindingen en eigen tekeningen naar justitie te stappen, maar die nemen hem dan niet meer serieus. “Ze zeiden: dat verzin je allemaal en je hebt je compositietekening grotendeels nagetekend van wat er in de krant heeft gestaan. Ze hebben mijn verhaal weggewuifd omdat ze toen die Stockx al op de korrel hadden”, zegt De Vries nu tegen mij.

Ondertussen heeft De Vries zelf ook niet stilgezeten en heeft hij beide mannen weten te traceren. De een heet Frits B. (volledige naam bij mij bekend), woont in Akersloot en is de zoon van een dame die ten tijde van Cheryls verdwijning aan de Hoge Duin en Daalseweg in Bloemendaal woont (op een steenworp afstand van waar De Vries hem uit de struiken zag komen). De ander, Ronald van der M. (ook zijn volledige naam is mij bekend) woont dan in Schalkwijk bij Haarlem. “Vlak bij de oma van Cheryl”, zegt De Vries.

Cheryl Morriën laat ik nu even voor wat ze is, het gaat hier over Lisette Vroege. Die verdwijnt, zoals ik eerder schreef, op 3 juni 1992, zes jaar na Cheryl. Op dat moment valt De Vries op dat zijn verdachten in de zaak Morriën beiden een band met Lisette hebben. B. werkt als fysiotherapeut bij de Mariastichting in Haarlem en was een tijd Lisette’s stagebegeleider. Van der M. heeft een handel in paramedische hulpmiddelen. en Lisette, zelf sinds kort fysiotherapeut, komt twee keer per week bij hem in de zaak om spullen voor haar werk te kopen.

Opnieuw loopt De Vries bij de politie tegen een muur van ongeloof aan. Maar dat ontmoedigt hem niet. Integendeel, hij richt zijn eigen onderzoek nu ook op Lisette Vroege. Het feit dat Lisette zowel B. als Van der M. persoonlijk goed kende, zou kunnen betekenen dat ze op de avond van haar verdwijning zonder slag of stoot bij een van beiden was zijn ingestapt. Lisette was ten tijde van haar verdwijning naarstig op zoek naar nieuwe woonruimte en het ouderlijk huis van B. aan de Hoge Duin en Daalseweg, waar hij executeur testamentair van was, stond leeg, weet De Vries: “Zijn moeder was overleden en het stond op de nominatie om verkocht te worden.” Frits B. had Lisette gemakkelijk thuis kunnen opwachten om haar mee te tronen om het huis te bekijken. Waarom zou ze haar voormalig stagebegeleider wantrouwen?



Wat tegen B. pleit, is zijn gedrag rond de woning aan de Hoge Duin en Daalseweg na de verdwijning van Cheryl Morriën, vertelt De Vries: “In de periode dat zijn moeder opgenomen was, heeft hij een prieeltje in de tuin gebouwd, op een betonnen fundering. Dan denk ik: als je moeder al zwaar op leeftijd is, met het vooruitzicht dat ze niet meer terug komt, of misschien nog heel kort, dan ga jij geen prieeltje storten op drie bij twee van beton met een hele overkapping erop. Ik heb het vermoeden dat als er iets in die tuin ligt, dat het daar onder ligt. Ze hebben er nu alweer een oprit overheen gestort.” Bovendien is B., zo weet De Vries, ten tijde van de verdwijning van Cheryl eigenaar van een Groene Fiat 124 stationcar, een model dat slechts op details afwijkt van de als Lada geïdentificeerde auto waarin Cheryl is ontvoerd.

Lada 2102
Fiat 124

De Vries’ wantrouwen jegens B., die inmiddels in Bergen woont, blijft knagen. De huidige bewoner van het huis aan de Hoge Duin en Daalseweg, volgens De Vries een ‘bekende van politie’ maar niet bij deze zaak betrokken, weigert mee te werken aan onderzoek op zijn perceel. Niettemin neemt De Vries contact op met Signi Zoekhonden, die in 2017 de omgeving van het perceel afspeuren: “Eén hond sloeg aan aan de noordkant van de tuin, terwijl de wind uit het zuidwesten kwam, twee voor, bij de oprit. Een lijklucht dus. We belden de politie, die met veel bombarie en een officier van justitie aan kwamen rijden. Ze zouden het doorgeven aan het cold case-team, maar er is nooit iets mee gebeurd.”

Je kunt George de Vries bestempelen als een hedendaagse Don Quichot of, zoals de volksmond zegt, de Fantast van Haarlem, maar gebrek aan volharding kun je de man in elk geval niet in de schoenen schuiven. Dat doet hij op zijn beurt des te meer richting justitie. Volgens De Vries laat de politie steek op steek vallen, zowel in de zaak Cheryl Morriën als in de zaak Lisette Vroege: “Ik heb het zelfs zo meegemaakt: ze moesten de vorige bewoner vinden van dat huis aan de Hoge Duin en Daalseweg. Na een half jaar kreeg ik een brief dat die mensen vermoedelijk waren vertrokken naar het buitenland en dat ze niet waren te traceren. De volgende middag had ik ze allebei gevonden: de een in Frankrijk en de ander in Groningen.” En: “Dezelfde mensen in twee verdwijningszaken. Plus het feit dat die honden onafhankelijk van elkaar aanslaan. Daar ga je toch op zijn minst naar kijken? Het lijkt wel of ze het niet willen. Ik heb heel veel correspondentie met justitie. Ze hebben er geen belang meer bij, ze kunnen er niet mee scoren.”

Waar of niet, noch Cheryl Morriën, noch Lisette Vroege is gevonden, terwijl we inmiddels een klein half mensenleven verder zijn. Beiden zouden nu vrouwen van middelbare leeftijd zijn en niemand zal ooit weten wat ze in hun verloren leven bereikt zouden hebben. Is er dan geen enkele denkbare verklaring voor de verdwijningen van Lisette Vroege en Cheryl Morriën? George de Vries denkt van wel: “Frits B. is gewoon fysiotherapeut geweest, hij heeft anderhalf jaar geleden een huis in Bergen gekocht voor 700.000 euro, terwijl zijn oude huis in Akersloot nog niet eens verkocht was, hij heeft twee boten van een meter of 14, 15. Hij heeft een huis in Portugal. Ik vind het knap dat je dat kan van een salaris van een fysiotherapeut. Ik wil het niet in verband brengen, maar zijn huis in Portugal ligt in de buurt van waar Maddy McCann is verdwenen. Ik denk zelf dat je in de richting van orgaanhandel moet zoeken. Een hart bracht in ’86 250.000 dollar op op de zwarte markt.”

Is daarmee Dinand  (of Dinant, Dynand of Dynant) Heiner, vriend van het slachtoffer toch een van de belangrijkste verdachten in de verdwijning van Lisette Vroege, vrijgepleit? George de Vries heeft nooit echt in zijn betrokkenheid geloofd: “Ze vielen over het feit dat hij bladzijden had gescheurd uit het dagboek van Lisette. Ik denk dat daar een heel logische verklaring voor is. Als jij een seksuele relatie met zo’n meisje hebt en zij schrijft misschien dingen daarover in haar dagboek, wil jij niet dat de politie dat leest of dat het misschien straks op tv wordt uitgezonden van hij deed dit of hij deed dat. Hoe onschuldig het misschien ook is: ik zou het er ook uit scheuren. Ik heb Dinand ooit gevonden in de Tempeliersstraat in Haarlem, ben niet bij hem langs geweest. Stel, je vrouw verdwijnt en ze komen jou daar even over doorzagen. Ten eerste zit je al met de spijt dat ze verdwenen is en dan gaan ze je misschien nog beschuldigen.”

We zullen het wellicht nooit weten, net als van zo veel andere raadselachtige verdwijningen: Tanja Groen, Natalee Holloway, noem maar op. Gelukkig heeft Corrie van der Valk bewezen dat niet elk mysterie eeuwig houdbaar is. Worden ze ooit opgelost? Als het aan ‘fantasten’ zoals George de Vries ligt, misschien wel.

Kijk ook de minidocu over Lisette Vroege:



 

Religieuze moord op zee: het geheim van de KW 171

18 december 2016 door Frank Jacobs Reageer

KW 171 Noordzee 5 Katwijk gekkenloggerRuim honderd jaar geleden draait de bemanning van een zeillogger midden op de Noordzee volledig door. Drie van hen worden door de rest op beestachtige wijze vermoord, waarna de overlevenden dagenlang, biddend en psalmen zingend, op het einde der tijden wachten. Wat bezielde de bemanning van de KW 171, de vissersboot die de geschiedenis in zou gaan als de gekkenlogger?

Langzaam en behoedzaam nadert het Noorse stoomschip Jonas Reid de stuurloos ronddobberende vissersboot. De kapitein staat aan bakboordzijde op de boeg en tuurt naar de zeillogger onder hem. Het is zondag 12 september 1915 op de Doggersbank, midden op de Noordzee, zo’n 130 mijl ten oosten van Scarborough. De Jonas Reid is de vorige dag vanuit Tyne vertrokken. Een half uur geleden kreeg de kapitein de vissersboot in het oog. Het bevreemdde hem dat de zeilen op volle zee waren gestreken. Maar toen hij dichterbij kwam, zag hij dat ze niet waren gestreken, maar aan flarden gescheurd. Onmiddellijk had hij de machinekamer commando gegeven de schroef stil te zetten en nu hij de vissersboot nadert, bekruipt de kapitein een onheilspellend voorgevoel.
Dat blijkt terecht. Wanneer de boot met de letters KW 171 op de romp nog een meter of twintig van de Jonas Reid verwijderd is, ziet de kapitein tot zijn ontzetting de enorme chaos op het dek. Niet alleen de zeilen zijn stuk, het hele schip is ontdaan van tuigages, luiken en katrollen. Een stuk of zes mannen zitten verspreid op het dek en beantwoorden zijn blik met grote, angstige ogen. Op het achterdek ziet de Noorse kapitein donkerrode vlekken; is dat bloed? Het duurt enkele seconden voor hij de eerste schrik te boven is en zijn bemanning tot de orde roept.

Einde der tijden
De KW 171 ‘Noordzee 5’ was een in 1906 gebouwde zeillogger uit Katwijk. Het besloten vissersdorp had geen eigen haven; in het verleden, toen nog gevist werd met de zogenaamde bomschuiten, werden de schepen eenvoudig op het strand getrokken. Nadat deze traditionele platbodems door modernere, snellere loggers waren vervangen, moest de Katwijkse vloot de wijk nemen naar een echte haven.
Dinsdag 3 augustus 1915 zette de KW 171 zeil vanuit IJmuiden. Het was de tweede reis met deze dertienkoppige bemanning, onder commando van de 39-jarige schipper Nicolaas (roepnaam Klaas) de Haas. Aan boord waren verder stuurman Pieter van Duijn (28), Jacob Jonker (33), Klaas Kuijt, matroos/kok Reijn Ros, diens dertienjarige zoon Arie Ros (afhouwertje), de broers Arie (28) en Leen (17) Vlieland, P. v/d Plas (43), P. Heemskerk (29), J. Kuijt (16), W. Huwwaard en de dertienjarige D. De Mol. Het team was goed op elkaar ingespeeld en er had tijdens de eerdere reis een prettige sfeer aan boord geheerst, vertelde de vrouw van de schipper in oktober 2015 tegen De Telegraaf.
Katwijk was in die jaren een besloten, streng gereformeerde gemeenschap. In de buitenwereld woedde de Eerste Wereldoorlog in alle hevigheid en hoewel Nederland neutraal was, bleven zijn gruwelen Katwijk niet bespaard. De zee, waarvan het dorp leefde, was door de vele mijnen levensgevaarlijk gebied en de lijken van de opvarenden van getorpedeerde schepen spoelden soms met honderden tegelijk aan op het strand. Door het bevindelijke geloof van de Katwijkers leidden dergelijke ervaringen tot de wildste verhalen; de Apocalyps zou aanstaande zijn, zo fluisterde menig dorpeling.
Over de vijf weken die volgden op het van wal steken van de KW 171 weten we weinig. De logger zette koers in noordwestelijke richting met bestemming Doggersbank, een visrijk gebied tussen Engeland en Denemarken. Waarschijnlijk hebben de dagen aan boord er aanvankelijk uit gezien als op alle andere Katwijkse vissersschepen uit die tijd: lange dagen hard werken, ’s avonds een maal van bonen, spek en rijst. Zes dagen per week, want ook buitengaats gold de zondag in die tijd als een religieus verplichte rustdag.



Huiveringwekkend verhaal
Het eerstvolgende teken van leven van de Noordzee 5 bereikt IJmuiden bij monde van de schipper van de KW 151 ‘De Hoop’, die in de havenplaats het huiveringwekkende verhaal vertelt van een ontmoeting, die hij enkele dagen eerder op volle zee had met de KW 171. Een aantal bemanningsleden van de Noordzee 5 was korte tijd bij hem aan boord geweest en had hem brieven overhandigd met het verzoek deze, teruggekeerd aan wal, naar Katwijk te sturen. De schipper had daarop verwonderd gevraagd of zij zelf niet ook op weg waren naar IJmuiden. Het antwoord deed hem nog meer versteld staan. “De Here God heeft Katwijk verwoest en van de aardbodem weggevaagd. In Katwijk zullen we niet meer komen, we zijn op weg naar Jeruzalem, waar God uit de hemel is neergedaald.” Toen de mannen terug in hun sloep klommen, klampte een van hen, die zich tot dan toe op de achtergrond had gehouden, zich aan de schipper van de KW 151 vast, terwijl hij smeekte bij hem aan boord te mogen blijven. De schipper zag zich niet genoodzaakt dit verzoek in te willigen en stuurde de man de sloep in. Terwijl ze terug naar de KW 171 roeiden, riep de schipper hen na: “Ik zou maar gauw teruggaan naar Katwijk, want jullie zeggen maar rare dingen, het is jullie compleet in de kop geslagen!” Even later riep een van de matrozen, Arie Vlieland, vanaf de KW 171 de schipper van de KW 151 toe: “Kap je vleet af, weg met alle rotzooi! Denk aan Gods gerechtigheid, want je gaat naar de verdoemenis!”

Bijgeloof
We kunnen gerust aannemen dat op dat moment de sfeer aan boord van de KW 171 al allesbehalve normaal was. Volgens de Katwijkse schrijver Robert Haasnoot, die zijn roman ‘Waanzee’ baseerde op de gebeurtenissen op de KW 171, waren de opvarenden wekenlang intensief met het geloof bezig. Dat geloof, oud bijgeloof en de effecten van langdurig isolement op zee vormden de voedingsbodem voor de dramatische gebeurtenissen die aanstaande waren.
Over de dagen die volgden op de ontmoeting met de KW 151 aan boord van de onfortuinlijke zeillogger is een tweetal getuigenissen opgetekend die elkaar in detail nogal eens tegenspreken, maar in grote lijnen hetzelfde verhaal vertellen. Een van de twee jongste opvarenden, de dertienjarige Arie Ros, wordt twee weken na het drama geïnterviewd door het Rotterdamsch Nieuwsblad. Matroos Arie Vlieland, de kwade genius achter de fatale gebeurtenissen, doet tegenover de kapitein van het stoomschip Prof. Buys, dat hem achteraf terugvaart naar Nederland, een boekje open.
De schipper van de KW 151 vertelde later aan de eigenaar van de KW 171, directeur N. Haasnoot van Noordzee Visscherij, dat hij tijdens de mysterieuze ontmoeting de indruk kreeg dat niet schipper Nicolaas de Haas, maar matroos Arie Vlieland het commando voerde over de KW 171. Vlieland was een buitengewoon sterke man, een boom van een vent en bovendien erg charismatisch, eigenschappen waarmee hij zijn overwicht kon doen gelden. Bovendien sprak hij de Tale Kanaäs, een gereformeerde, Bijbelse manier van spreken, waarmee hij de godvrezende bemanningsleden naar zijn hand wist te zetten. In die tijd heerste in Katwijk een sfeer van uitverkorenen en bekommerden. De uitverkorenen beweerden tekenen van God te krijgen en daarmee positioneerden ze zich boven de bekommerden, die dergelijke openbaringen moesten ontberen.
Waarschijnlijk is de gekte gedurende de reis in het hoofd van de uitverkoren matroos Arie Vlieland gekropen. Volgens de getuigenis van Arie Ros vertelde Vlieland op zondag 5 september dat hij de Heilige Geest in zich voelde. Daarop volgden vier dagen van bidden en praten over de bijbel, vertelde het dertienjarige afhouwertje. Daarna begon het moorden. Vlieland zelf verklaarde dat hij pas vlak voor de moorden ’s nachts wakker werd, met Onze Lieve Heer in gesprek kwam en in diens opdracht nog dezelfde nacht begon het schip te zuiveren van Satans aanwezigheid. Terwijl hij bezig was met het overboord kieperen van alles waar de duivel in zou kunnen schuilen, werden Leen Vlieland en Van der Plas wakker. Zij vertelden een rode ster te hebben gezien en zagen daarin bevestiging van Arie’s beweringen. Zeilen, masten en lijnen gingen overboord.

Bizar schouwspel
De volgende ochtend voegde de rest van de bemanning zich bij de duivelsuitdrijverij, op Pieter van Duijn, Jacob Jonker en Klaas Kuijt na. Hun ongeloof viel in verkeerde aarde bij Arie Vlieland, die Kuijt bij wijze van bestraffing dwong urenlang aan dek afwisselend te dansen en stokstijf te staan. Het moet een bizar schouwspel zijn geweest. “Hij leek door de duivel bezeten”, getuigde Arie Ros later. En dat was voor de bemanning reden genoeg om Klaas Kuijt de volgende ochtend overboord te gooien. Toen hij zich aan een stuk touw vastklampte, hakte een van de anderen zijn handen af. Gillend van pijn verdween Kuijt in zee.
Tenminste, dat is Arie Ros’ verhaal. Vlieland vertelde aan de kapitein van de Prof. Buys dat ze Kuijt met een bijl het hoofd nagenoeg af sloegen, alvorens zijn lichaam in de golven te werpen, onder het zingen van psalmen.
Volgens Arie Ros ging stuurman Pieter van Duijn die avond naar beneden om zijn vader, Reijn Ros, een pak slaag te geven. Ros senior bleek sterker dan Van Duijn en schopte deze onder een bank, aldus Ros junior. Vervolgens kwam de rest van de bemanning om Van Duijn met spaden dood te slaan. Jacob Jonker deelde met een bijl de genadeslag uit, Van Duijns hoofd van zijn romp slaand.
Na de moord ging Jonker terug aan dek, waar hij schipper De Haas aantrof en hem het ruim in sloeg. “Jullie zijn allemaal gek, geloven jullie daar nog aan!”, heeft Jonker volgens Ros junior nog geroepen, waarna hij zich opsloot in een kooi. De rest van de bemanning heeft hem er uit gesleept en met dissels, die Arie Ros en zijn leeftijdgenoot D. De Mol hadden gehaald, doodgeslagen. Volgens Arie Vlieland echter werden de laatste twee slachtoffers met messteken om het leven gebracht. In beide lezingen werden de lijken van Jonker en van Duijn overboord geworpen.
Op zondag 12 september werd de gehavende KW 171 door een Noors stoomschip op sleeptouw genomen en naar Tyne opgebracht. Dat de gehele bemanning krankzinnig was, leed geen twijfel en de mannen werden uit voorzorg geketend aan boord van hun schip gehouden.

Plaatsvervangende schaamte
Het verhaal van de gekkenlogger is door de jaren heen altijd een taboe geweest in de Katwijkse gemeenschap. Hoewel niemand anders dan zijzelf verantwoordelijk kan worden gehouden voor het ontsporen van de bemanningsleden, leek zich toch een soort plaatsvervangende schaamte te hebben genesteld in de besloten, streng gereformeerde gemeenschap. De eerste tijd na het drama heerste er ook een zekere angst onder de bevolking. Het waren immers gewone Katwijkers geweest daar op zee; als hun dit kon overkomen, kon het iedereen treffen.
Het feit dat de meeste overlevenden een jaar later weer gewoon door Katwijk rondliepen, maakte het verwerkingsproces er niet gemakkelijker op, om maar te zwijgen van het endogame karakter van Katwijk in die tijd. Een nichtje van de vermoorde stuurman Pieter van Duijn vertelt veel later hoe haar vader van haar moeder op zijn kop kreeg toen hij een van de overlevenden gedag zei: “Gerrit, hoe kun je zo’n man groeten die je eigen broer vermoord heeft?”
De twee dertienjarige bemanningsleden gingen meteen terug naar Katwijk, de overige acht werden opgenomen in krankzinnigengestichten in Oegstgeest en Medemblik. Binnen een jaar waren ze weer terug in Katwijk, op Arie Vlieland na, die met zijn vrouw en kinderen naar Wassenaar verhuisde, waar hij in 1966 op 79-jarige leeftijd overleed.
En de KW 171? Het schip werd hersteld, maar in Katwijk was geen visser te vinden die er nog op durfde te varen en de logger werd verkocht aan een IJmuidense rederij. Als IJM 251 liep hij nog geen twee jaar later op een mijn, de achtkoppige bemanning met zich mee de diepte in trekkend.

Faunabeheer is dierenmoord

11 mei 2015 door Frank Jacobs 1 Reactie

Arie den Hertog heet hij, de massamoordenaar van onze tijd. De kampbeul van Lelystad. Met gepaste trots meldt hij op Omroep Flevoland dat hij een vergunning heeft gekregen om onbeperkt ganzen uit te roeien met zijn bedrijf Duke Faunabeheer. Voorlopig heeft Arie een missie: zo veel mogelijk dieren vermoorden. Kan hij op de volgende nieuwjaarsreceptie met trots melden wat hij dit jaar heeft bereikt: vijftienduizend ganzen uitgeroeid. Of, als het mee zit, zelfs twintigduizend. Het is nog niks vergeleken bij de zes miljoen joden die door de nazi’s de Styx over werden geholpen. Maar goed, je moet klein beginnen. Den Hartog vindt dat er te veel ganzen zijn en rechtvaardigt daarmee deze faunacaust. Fair enough, sommigen vonden eind jaren dertig dat er te veel mensen van een bepaald ras waren.

Te veel ganzen. Laat me dat even uitleggen: ganzen knagen aan onze gewassen. Maar wie zegt dat die gewassen van ons zijn? We delen deze wereld met talloze andere levensvormen. En pakken wat we pakken kunnen, net als de ganzen. Net als de vluchtelingen zonder zwemdiploma uit Afrika. Net als de joden waar de nazi’s zich midden vorige eeuw zo druk om maakten. Te veel ganzen? In 1980 waren er vijf miljard mensen. Daarvan hadden er drie miljard te weinig te eten (of, naar de normen van Duke: waren er drie miljard te veel). Vandaag zijn dat er zeven miljard. Een toename van veertig procent in nog geen half mensenleven; over ‘te veel’ gesproken; daar kan geen gans tegenop.



Een schone taak voor Duke Faunabeheer dus. Als je hun redenatie volgt tenminste, maar ja, met mensen vergassen kreeg je de afgelopen eeuw de handen niet op elkaar. Want wij zijn op de stoel van God gaan zitten en ‘all animals are equal’, maar zelf zijn we net even ‘more equal than others’. Dus, ondanks dat wij in nog geen tweehonderd jaar de fossiele brandstoffen hebben afgefakkeld waar de natuur honderd miljoen jaar aan heeft gewerkt, mogen wij ons gewoon exponentieel voortplanten, ondertussen de rest van de fauna ‘regulerend’. Lees beheren. Lees vergassen.

Dus pleit ik voor een ram voor de lelijke muil van Arie den Hertog. Of liever, een schop tussen zijn stinkende ballen, een flinke trap die hem impotent maakt. Want straks is het brood bij de Albert Heijn op omdat Arie den Hertog alles heeft opgekocht voor die kutkinderen van hem en heb ik daarom niks te vreten. Dat moeten we toch niet willen?

Over Frank Jacobs

Frank Jacobs (1966) is crossmediaal en multimediaal journalist en schrijft, fotografeert en filmt voor onder meer AutoWeek, NU.nl, Quest Historie, GTO Magazine en Lifestyle Almere. Daarnaast presenteert hij autoprogramma’s op AutoWeek TV en voorheen Discovery Channel.

Hij studeerde automobiel management en Frans en woonde en werkte jarenlang afwisselend in Frankrijk, Engeland, Duitsland en Spanje.

Lees meer over Frank Jacobs.

Zoeken

  • Why Nuclear Energy is a Very Bad Idea
  • Waarom de flitsmarathon onzin en bangmakerij is
Copyright 2015 | Frank Jacobs | KvK Almere 62518755