Frank Jacobs

journalist, schrijver en autojournalist

  • Artikelen
    • De Naardense moordzaak
    • Lost in Transition: energietransitie, maar dan?
    • Karin Slaughter over Tesla
    • Dodenvlucht Neptune 212 wellicht diefstal
    • Neptune 212: dodenvlucht boven Katwijk
    • Dakota 079: de weggemoffelde vliegramp van Biak
    • Het duistere verleden van BMW-familie Quandt
    • Religieuze moord op zee: het geheim van de KW 171
    • Ferdinand Piëch, de geniale megalomaan van Volkswagen
    • Volkswagen: familievetes en stoeltjewip
    • De verdwenen Porsche van James Dean
    • Terugkeer van een dode baron (2)
    • Terugkeer van een dode baron
    • Portfolio
  • Columns
    • Waarom de flitsmarathon onzin en bangmakerij is
    • Dieren mogen worden doodgereden, vindt de Provincie Zuid-Holland
    • Waarom kernenergie een heel slecht idee is
    • Armoede? Je hebt geen idee wat dat is
    • #NederlandVleesland
    • Omgekeerde vlaggen en boerenzakdoeken: zo herken je de simpelen van geest
    • Armoede los je zo op
    • Veevervoer? Complimenten aan Schiphol!
    • Eva Vlaardingerbroek, ga dansjes doen op TikTok
    • Paybacktime
    • Franse probleemjongeren welkom in Nederland
    • Windmolenparken op zee
    • Zijn katten invasieve exoten?
    • Zijn wielrenners asociaal?
    • Second Love: daten voor proleten
    • NewSpace: hoogplassen voor miljardairs
    • Corona: de aarde haalt opgelucht adem
    • Corona: een lesje in bescheidenheid
    • Corona: de zeven pluspunten
    • 2019 en mijn ingebeelde vriend
    • Zwarte Piet? Zand erover
    • De leugens van Koos Spee
    • Foei Halsema!
    • Een dagje aan het strand
    • De mysterieuze verdwijning van Anja Schaap: wat houdt de politie achter?
    • Wannabe-journalisten
    • Thierry Baudet: omfloerste poep
    • Arbeidsparticipatie: een pakketje schroot met een dun laagje chroom
    • Like me of zwijg
    • Vuurwerk? Rot op!
    • Lisette Vroege slachtoffer orgaanhandel?
    • Waarom Schiphol op zee bezopen is
    • Duitsland huichelland
    • Referendum: onderbuikdenkers aan de macht
    • Social influencers
    • Coen was een held
    • Aangifte doen is voor mietjes
    • 2018, het jaar van het non-nieuws
    • Wanneer wordt Lisette Vroege gevonden?
    • Waarom een dierenleven meer waard is dan een mensenleven
    • Boom!
    • Brexit? We still love you!
    • De opkomst van de tekschrijver, de ondergang van de journalist
    • Autojournalist
    • Dit is er mis met grote organisaties
    • Plastic tasjes
    • De armoedegolf van 2035: Zelfstandigen Zonder Perspectief
    • Verlengstuk
    • Vel d’Hiv: hoe bootvluchtelingen je vakantie bederven
    • Terug in je kist!
  • Korte verhalen
    • Op Slot – kort verhaal
    • De Laatste Pomp – kort verhaal
    • Ik deel hier de lakens uit – kort verhaal
    • Broedertwist – kort verhaal
  • Foto
    • Photography
  • Video
    • Documentaires
    • Autoweek TV
    • Fifth Gear Europe
    • Tuf-tuf Club op TV
  • Contact
    • Over Frank
    • Contact
    • English
    • Français
    • Deutsch
  • Email
  • Facebook
  • Google+
  • Instagram
  • LinkedIn
  • Twitter
  • YouTube
Contact

Eerste hoofdstukken van ‘De Andere Kant van het Graf’

31 mei 2016 door Frank Jacobs 1 Reactie

Dan zullen de grijze muren spookachtig oprijzen op den heuvel aan den oever der Maas, dan zal het zonlicht grillig vallen in de holle vertrekken, waarboven de blaauwe hemel blinkt, dan zal de storm door de open vensternissen gieren en de woekerplanten zullen opschieten langs de kale wanden. Dan zal de bezoeker ronddwalen in den somberen bouwval, en geheimzinnige stemmen zal hij hooren fluisteren van geslachten, die lang zijn voorbij gegaan. Te vergeefs zal hij trachten, eenige verstaanbare klanken te vernemen, als hij uit den mond der geschiedenis iets anders wil opvangen dan eenige dorre namen, en de sage zal niet aanvullen, wat haar ernstiger zuster hem niet geven kan..

Jacobus Craandijk, 1880
 

Mijn jarenlange hoop dat ik jou ooit weer in mijn armen zal kunnen sluiten is inmiddels wel gevaren, maar het is mijn laatste en diepste wens dat jullie dan samen zullen terugdenken aan jullie vader en met de gedachte daaraan zal ik aanstonds mijn ogen voor eeuwig sluiten en vrede vinden met mijzelf en de Heer.
Weet, mijn beminde Mathilde, dat ik altoos van je heb gehouden en dat gene zijde van het graf tot in de eeuwigheid zal blijven doen. Vaarwel dochter,
Je liefhebbende vader

Baron Frederik van Keverberg van Kessel, 1876

 


EPILOOG

North Platte, Nebraska USA, zomer 1876
Waanzin. Totale krankzinnigheid.
Hij heeft het in zijn korte leven niet eerder gezien, maar herkent het onmiddellijk, uitgerekend in de ogen van de jongen die hij sinds zijn vierde jaar als zijn enige en onmisbare vriend beschouwt. Hij ziet krankzinnigheid, maar van zijn vriend zelf herkent hij amper meer een spoor in die ogen. Ze lijken enkele tinten lichter groen geworden en zijn tot spleetjes geknepen, waaruit een onpeilbare haat gloeit.
De jongen deinst een paar centimeter terug, maar voelt zijn hand achter zich wegglijden, waarbij de scherpe kiezels in het zachte vlees van zijn pols snijden. Impulsief gaat hij wat rechter zitten, zodat hij zijn gewicht van zijn hand naar zijn zitvlak verplaatst. Achter hem hoort hij de steentjes de klif af rollen. Zijn vriend reageert door het stuk hout dat hij in de aanslag heeft wat verder naar achteren te bewegen.
‘Alsjeblieft..’, weet de jongen uit te brengen. Nog maar een kwartier geleden zou hij niet hebben geloofd dat zijn vriend hem ooit meer dan een speelse tik zou geven. Zelfs toen hij hem een bloedneus had geslagen, dacht de jongen nog dat zijn vriend handelde in een vlaag van verstandsverbijstering, die hij snel weer te boven zou komen. Dat leek ook even te gebeuren, totdat de jongen de woorden uitsprak waarvan hij geen idee had dat ze zo gevoelig konden liggen.
Zijn vriend antwoordt met een schijnbeweging met het stuk hout. Opnieuw deinst de jongen een stukje terug, al laat de rand van de klif hem weinig ruimte meer. Het bloeden van zijn neus is inmiddels gestopt, maar hij proeft nog steeds de ijzersmaak in zijn mond. De ogen van zijn vriend stralen ijzige kalmte uit, maar de jongen kan zijn zware, versnelde ademhaling bijna voelen.
‘Ik heb het niet zo bedoeld,’ probeert de jongen het nog eens. Zijn ogen scannen razendsnel de omgeving, op zoek naar een ontsnapping die er niet is. De afgrond achter hem is zeker vijftien meter diep en zelfs als hij zich afzet en de rivier haalt, zal het water zijn val amper breken. De rotsachtige bodem loopt hier heel geleidelijk af, weet hij van de talloze keren dat ze hier samen zwommen. Hij kan alleen proberen zijn vriend te overmeesteren, maar de stok in zijn handen ziet er loodzwaar uit. De afgebroken zijtakjes zijn droog en puntig, waardoor het een natuurlijk gevormde goedendag is. De jongen realiseert zich wat die punten in zijn ogen kunnen aanrichten en voelt een rilling over zijn rug lopen.
Zijn vriend zet een stap dichterbij, griezelig langzaam, theatraal, de stok nog steeds in de aanslag. Hij beweegt hem nu zachtjes op en neer, bijna hypnotisch, zoals een kat net voor de aanval zijn achterlijf zet. Op zijn te korte beentjes zou het onder andere omstandigheden iets koddigs hebben. Maar de jongen ziet de opgezwollen bicepsen van zijn vriend met kloppende aderen uit de mouwen van zijn hemd steken en die vertellen een ander verhaal. Een zweetdruppel rolt langzaam omlaag en weerspiegelt de schittering van de zon. Zijn moeder heeft zo vaak gezegd dat dit geen goede vriend voor hem is en dat ze hem niet vertrouwt. Heeft ze dan toch gelijk?
‘Laten we er alsjeblieft over praten, ik weet..’
Zijn vriend haalt uit, de jongen ziet de stok op zich af komen. Het gaat razendsnel, maar tegelijkertijd lijkt het in slow motion te gebeuren. De jongen heft zijn arm op in een poging zijn gezicht te beschermen en de tak raakt zijn onderarm net onder zijn pols. Het bok kraakt, een van de punten trekt een driehoek vlees van zijn arm en de jongen schreeuwt het uit. Met zijn andere arm zoekt hij steun op de rand van de rots. Hij voelt zijn hand langzaam wegglijden en in een reflex probeert zijn linkervoet zijn evenwicht te herwinnen.
De jongen werpt een korte blik in de afgrond onder hem, waar de glinsterende oppervlakte van de rivier op hem lijkt te wachten. Als hij weer opkijkt, ziet hij dat zijn vriend weer een stap dichterbij is gekomen en de stok opnieuw boven zijn hoofd houdt. De jongen gilt het nu uit, van pijn en uit doodsangst. Zijn vriend haalt opnieuw uit, met nog meer kracht dan de eerste keer. De gebroken arm weigert dienst, de jongen heeft geen ledematen meer vrij om de klap op te vangen en de stok raakt hem met verpletterende kracht in zijn gezicht. Zijn neus, oogkas en onderkaak worden vermorzeld, maar de pijn wordt overschaduwd door het weeë gevoel dat hij in zijn onderbuik krijgt op het moment dat hij zijn evenwicht verliest en over de rand van de klif valt.
Door een rode waas ziet hij de rivier, zijn hengel half op het kiezelstrandje, snel dichterbij komen. De jongen probeert zich op die hengel te concentreren, alsof het de laatste strohalm is, een laatste houvast aan de normale wereld, die nog maar een paar minuten geleden de gewoonste zaak leek, maar nu verder weg dan ooit is. Hij maakt een afwerend gebaar met zijn ongeschonden arm, maar die kan niet voorkomen dat zijn hoofd met een onvoorstelbaar harde klap tegen een rotsblok slaat.
Heel even is de pijn allesoverheersend, maar al gauw wordt hij verdrongen door het koele, zwarte niets.




1

Kessel, zondag 21 juni 2015
Serge Janiaud had de halve middag in de auto gezeten en stond nu op het jaagpad langs de rivier. Gefascineerd keek hij omhoog naar een gebouw dat trots en hoog op de dijk stond. Met zijn donkerbruine muren en sombere boogramen stak het af tegen de veel nieuwere villa’s die aan weerszijden het landhuis flankeerden. Sommige ramen waren dichtgetimmerd met platen triplex, wat het huis een verlaten indruk gaf. Een aantal oude eikenbomen vormden een dichte overkapping die het huis aan het zonlicht onttrok, waardoor het leek alsof het uit een andere wereld was gerukt en hier plompverloren neergezet. Tegelijkertijd straalde het een soort zelfverzekerdheid uit, als een oude, wijze man, die de wereld om hem heen is ontgroeid, maar desondanks een onwrikbaar natuurlijk overwicht blijft genieten. Last night I dreamt I went to Manderley again. De openingszin van Daphne du Mauriers Rebecca schoot als vanzelf door zijn hoofd, een jaar of dertig nadat hij het boek met tegenzin, op aandringen van zijn moeder, had gelezen. Langzaam maar zeker was hij er in weggezogen en het beeld dat zijn voorstellingsvermogen van Manderley had gevormd, stond hier levensecht op een Limburgse dijk. Het déjà-vu was zo sterk dat hij het contact met de wereld om hem heen leek te verliezen.
Het zonlicht verwarmde Serge’s huid en de bedrijvigheid om hem heen trok hem weer een stukje terug naar de werkelijkheid. Links er rechts wandelden mensen over het jaagpad, hagelwitte plezierjachten kliefden door het wateroppervlak van de rivier en uit het hoge gras aan de waterkant klonk het hoge, zijdezachte gepiep van eendenkuikens.
Plotseling sloeg Serge’s hart een slag over. Achter een van de ramen van de uitbouw stond een vrouw in Victoriaanse kledij, roerloos, met een schuin hoofd waar iets wat leek op een ouderwets, kanten hoedje op stond. Serge kon het door de spiegeling van het glas niet met zekerheid zeggen, maar het gevoel bekroop hem dat ze naar hem keek. Hij voelde zich ongemakkelijk en wendde zijn blik af, zich afvragend wat die rare oude jurk te betekenen had.
Even later keek Serge opnieuw naar boven; ze stond er nog steeds, onbewogen. Toen pas zag hij dat het niet Mrs. Danvers, maar een levensgrote pop was. Haar dode blik had iets sereens boven de met kant afgezette zwarte jurk. ‘Idioot,’ zei Serge tegen zichzelf, een beetje beschaamd om zijn eigen schrikachtigheid.
‘Idioot?’ Een stem achter hem deed Serge opnieuw schrikken. Een van de wandelaars was blijven staan. Serge draaide zich om en keek in de ogen van een vrouw van zo te zien achterin de dertig. Ze had lang, krullend rood haar en hield haar hoofd een beetje schuin, de ogen half dichtgeknepen tegen het zonlicht, wat haar oogopslag wat uitdagends gaf.
‘Sorry,’ zei Serge, ‘ik praatte in mezelf.’
De vrouw haalde haar schouders op. ‘Ben jij Serge?’ Ze stak haar hand al uit.
Serge schudde de hand en antwoordde bevestigend.
‘Mooi. Ik ben Hilde van Wylick.’ Ze wees naar de oude villa. ‘Bevalt het je?’
‘Een beetje spooky. Maar wel indrukwekkend.’
‘Kom mee,’ zei Hilde. Ze begon meteen in noordoostelijke richting te lopen, Serge volgde haar. Hij nam enkele extra grote stappen om naast haar te komen.
‘Dus jij hebt me dat bericht gestuurd? Vertel.’
‘Goed dat je gekomen bent. Dank je.’ Ze wierp hem een korte glimlach toe.
Zwijgend vervolgde ze haar weg, Serge liep naast haar, wachtend op wat ze te vertellen had. Aan hun linkerkant verrees een hoge muur, waarboven een kerk uittorende. Ongeveer halverwege werd de muur onderbroken door een brede trap, die naar het kerkhof leidde. Serge keek omhoog en zag een lange, forse man naar beneden lopen. De felle middagzon deed zijn kale hoofd schitteren. Enkele tientallen meters verder boog de muur een eind landinwaarts, alsof hij was teruggedeinsd voor de drie enorme eikenbomen die als wachters langs het pad stonden.
Hilde wenkte Serge en liep naar een poortje in de muur. Het was afgesloten met een ijzeren hek. Serge keek tussen de spijlen door en zag een heuvel met een oude burcht er op. Het bouwwerk stond in de steigers en in tegenstelling tot de gehavende muren leek het dak er gisteren op te zijn gezet. De leistenen waren egaal zwart, zonder enige vorm van verwering of mos.
‘Hoe indrukwekkend vind je dat dan?’, vroeg Hilde.
Serge knikte alleen. Hij was niet gekomen om oude gebouwen te bewonderen.
‘Mooie naam, Janiaud,’ zei Hilde uit het niets.
‘Ik heb een Franse vader, maar ben gewoon in Nederland opgegroeid.’
‘Dat weet ik,’ zei Hilde.
Serge keek haar verbaasd aan. ‘Ik was al nieuwsgierig, dat wordt er nu niet minder door.’
‘Begrijpelijk.’ Hilde sloeg haar tas over haar andere schouder, liep terug naar het jaagpad en vervolgde haar weg. Serge kwam haar achterna, ondertussen zijn schatting van haar leeftijd bijstellend naar begin veertig.
‘Wat wil je van me?’
Hilde keek naar de neuzen van haar All Stars die om beurten het voortouw namen en zweeg een ogenblik. Toen keek ze Serge aan. ‘Heb jij enig idee waar je vandaan komt?’
‘Hoe bedoel je dat?’
Ze hield haar beide handen omhoog, de binnenkant naar boven gericht, alsof hij iets heel doms vroeg. ‘Wie je voorouders zijn.’
Serge had een idee en voelde een steek. Zijn vader had zich in de jaren vijftig gedistantieerd van zijn opa, nadat hij er achter was gekomen dat die tijdens de bezetting van Frankrijk met de Duitsers had gecollaboreerd. Zowel Serge als zijn vader hadden die schaamte altijd verdrukt met de gedachte dat zij daar niets aan konden doen, maar ze waren er ook niet bepaald trots op en liepen er dus niet mee te koop. Weinigen wisten hoe erg zijn opa’s misdaden werkelijk waren geweest. Als dat ooit de geschiedenisboeken zou halen, was hun achternaam voor altijd bezoedeld. Wat wist deze vrouw daarover?
‘Mijn vader is Frans, maar dat wist je blijkbaar al. Hij kreeg ruzie met zijn ouders, heeft toen alle contact verbroken en is hier in Nederland met mijn moeder getrouwd. Meer weet ik niet.’
Hilde hoorde hem aan en knikte. Ze leek genoegen te nemen met zijn summiere antwoord. ‘Je zou er goed aan doen na te gaan wie de moeder van je opa was.’
Serge hoorde haar met stijgende verbazing aan. Ze irriteerde hem, maar tegelijkertijd groeide ook zijn nieuwsgierigheid. ‘Ik heb geen idee wie jij bent, maar je loopt me hier wel te vertellen dat ik mijn hele stamboom na moet trekken?’
Ze liepen inmiddels over een houten steiger, die de smalle oever tussen de Maas en de bijgebouwen van het kasteel overspande. Het gebonk van hun voetstappen weerkaatste tegen de oude muur.
‘Ik kan je niet zo heel veel vertellen,’ antwoordde Hilde, haar schouders ophalend.
Serge zuchtte demonstratief. ‘Ik heb twee uur in de auto gezeten om naar deze uithoek van het land te komen. Ik moet nog eens twee uur terug rijden, volgens mij verdien ik wel wat openheid van zaken.’
‘Die kan ik je niet geven. Als je ooit achter de werkelijkheid komt, zal je mijn terughoudendheid begrijpen.’
Serge stopte, draaide zich een kwart slag in haar richting en leunde tegen de houten brugleuning. De man die net de trap bij het kerkhof was afgedaald, wandelde nu enkele tientallen meters terug hun richting in. Hun blikken kruisten elkaar, waarna de man zich omdraaide en naar zijn hond floot.
‘Waarom heb je me dan helemaal hierheen laten komen? Om me te zeggen dat je me niks kunt zeggen?’ Serge ving een vleug van haar parfum op; een pijnlijk bekende lucht.
Hilde stond vlak tegenover hem, hun ogen voerden een stil gevecht. ‘Ik heb je wel degelijk wat gezegd. Als ik je alleen had gemaild dat je je voorouders moet uitzoeken, had je dat dan gedaan?’
‘Nee natuurlijk niet, maar dat ga ik nu ook niet doen.’
Hilde produceerde een triomfantelijk lachje. ‘Jawel, dat ga je wel zeker doen.’ Ze keerde zich van hem af en liep verder, de brug af. ‘Bovendien heeft jouw afkomst alles te maken met deze plek. trouwens, we moesten toch érgens afspreken.’ Opnieuw die zelfingenomen blik.
‘Ja hoor. De volgende keer my place? Kun je helemaal naar Almere komen rijden.’Serge realiseerde zich dat hij geïrriteerd klonk en dat hij daar in elk geval niet verder mee zou komen, dus besloot hij het over een andere boeg te gooien. ‘Ik begrijp je boodschap, maar het waarom niet. Wat schiet ik er mee op in mijn verleden te graven?’ Hij schopte een steentje weg, dat met een plok in het water belandde. ‘En wat is jouw belang hierbij?’ De steiger maakte een bocht naar links.
‘Toegegeven, ik heb er ook mijn belangen bij. Maar daar hoef jij je niet druk om te maken.’ Nu was het Hilde die stil bleef staan. Ze keek Serge enkele seconden doordringend aan, zonder iets te zeggen, hem in haar blik gevangen houdend. Haar felgroene ogen staken scherp af tegen het rode haar, ze kneep ze weer iets dicht. Serge merkte dat haar oogopslag hem tegen wil en dank fascineerde.
Hilde verbrak haar stilzwijgen. ‘Ga na waar je vandaan komt, Serge Janiaud. Vlooi die stamboom van je uit. Ga na waar je vandaan komt en dan zal je iets heel interessants ontdekken over de laatste adellijke familie van dit kasteel. Oh ja, en doe me één plezier.’
‘Nou?’
‘Je hebt mij nooit ontmoet.’
Ze keek hem nog een seconde of twee aan – voor een onwetende passant had het zowel flirten als uitlachen kunnen zijn – en toen draaide ze zich om. Serge was te verbluft om iets te zeggen en keek toe hoe ze linksaf een stenen trap op liep. Pas toen ze uit zijn blikveld verdwenen was, herwon hij zich en haastte hij zich haar achterna.
‘Nog één ding, Hilde!’, riep hij. Maar toen hij de hoek om was, zag hij haar nergens meer. Dat was vreemd, want ze had gewoon gelopen. Zelfs als ze meteen om de hoek was beginnen te rennen, had ze nu nog niet bovenaan die trap kunnen zijn. Serge wilde net tegen beter weten de treden op rennen, toen hij het kleine poortje in de zijwand zag. Hij stapte er onderdoor en zag een tweede, veel smallere en steilere trap omhoog gaan. Hij sprintte omhoog en kwam uit op het parkeerterrein van een restaurant, aan de voorkant van het kasteel, net op tijd om een donkerblauwe Citroën DS3 over het grind weg te zien spurten. De auto had getint glas, waardoor Serge zo gauw niet kon zien wie er achter het stuur zat, maar hij was er zeker van dat het Hilde was. Haar achterna gaan kon niet; zijn auto stond aan de andere kant van het dorp. Zou ze dat expres zo hebben bekokstoofd?, vroeg Serge zich af. Machteloos, voorovergebogen steunend met zijn handen net boven zijn knieën, keek hij toe hoe de auto de poort uit reed, het marktplein overstak en linksaf uit het zicht verdween. Hij ging weer rechtop staan en veegde met de rug van zijn hand het zweet van zijn voorhoofd.
Zijn telefoon piepte. Serge viste hem uit zijn zak en las de sms:

Doe nou maar gewoon wat ik je gezegd heb.

Hij zuchtte, schudde onbewust zijn hoofd en stopte het toestel terug.

Terug beneden, aan het einde van het smalle trappetje, botste hij bijna tegen de forse man van zo-even aan. Serge mompelde een soort verontschuldiging en keek even verbaasd naar de vreemde tatoeage die van zijn linkeroor over zijn hals naar beneden liep, maar hij was met zijn gedachten te zeer met de woorden van Hilde bezig om op te merken dat de man, die net nog naar een hond had staan fluiten, geen hond bij zich had.

 


 

2

Kessel, november 1867
Het is een stormachtige nacht. De noordwesterwind ploegt met geweld tegen de stroming van de Maas in, grote schuimkoppen en verraderlijke draaikolken veroorzakend. Af en toe komt het zilveren maanlicht tussen de wolken door, verder is het aardedonker. Het razen van de wind wordt alleen overstemd door het gefluit langs de kieren van de oude kasteelmuren. Een stuk leisteen van het dak geeft zich gewonnen aan de zwaartekracht en valt op de trappen in stukken; niemand die het opmerkt.
De meeste vensters van het kasteel zijn holle, donkere ogen. Alleen achter de ramen op de begane grond flakkert het gele, onregelmatige licht van olielampen. Binnen struint de kasteelheer onvast door de sombere vertrekken. Het gefluit en gebulder van de wind voorkomen dat zijn woedende geraas buiten te horen zou kunnen zijn, als er al iemand zo gek zou zijn om zich met dit weer buiten te begeven.
In zijn toorn laat de baron een spoor van vernielingen achter. Sommige meubelstukken worden per ongeluk omgestoten, andere zijn het slachtoffer van plotselinge geweldsuitbarstingen van baron Frederik van Keverberg van Kessel, die door zijn steeds schaarser wordende vrienden Frits en in het dorp baron Frits wordt genoemd. Zijn rijzige gestalte werpt spookachtige schaduwen op de eeuwenoude muren. In zijn rechterhand houdt hij een bijna lege whiskyfles, die hij af en toe aan zijn mond zet. Het glas waaruit Frits eerder deze avond dronk, is allang gesneuveld en ligt in scherven voor het langzaam dovende haardvuur in het hoofdverblijf.
‘Vervloekte vrouw!’, buldert Frits door de gang die naar de kelders loopt. ‘Ondankbaar wezen!’ Hij haalt uit met zijn rechtervoet en lijkt even zijn evenwicht te verliezen, maar weet dan toch de gietijzeren kandelaar te raken die de pech heeft op dit moment in zijn buurt te zijn. Het ornament klettert op de grond en de stekende pijn die in Frits’ voet begint, dringt dankzij de enorme hoeveelheid drank nauwelijks tot zijn hersenen door. Frits hervindt zijn evenwicht tegen de ruwe stenen van de muur en zet zijn vandalenronde voort.

Zijn giftige woorden bereiken de geadresseerde niet. Frits’ vrouw Louise heeft acht jaar eerder het kasteel verlaten, gevlucht voor precies dit soort uitspattingen. Twee jaar geleden is hun dochter Mathilde door Louise’s moeder van het kasteel weggehaald en sindsdien heeft baron Frits zijn enige kind amper meer gezien. Af en toe een kort briefje met de te verwachten plichtplegingen, vanuit de katholieke internaten waar Louise hun dochter heeft ondergebracht. Eerst in Roermond en later, onder een valse naam, in Düsseldorf.
‘Onder een valse naam!’ De bitterheid weerkaatst tegen de gewelven. ‘Om zich aan mij te onttrekken!’ Opnieuw klapt een kandelaar tegen de stenen vloer. ‘Alsof ik haar niet alle liefde en toewijding heb gegeven!’ Frits’ stem slaat over, houdt het midden tussen verdriet en dronkenschap. Ditmaal bereikt de pijn aan zijn voet zijn brein wel; Frits’ gezicht vertrekt en zijn tred wordt nog wat minder vast. Hij strompelt nu, steun zoekend tegen de muren. Het mag een wonder heten dat hij zonder te vallen de steile trap naar de wijnkelder weet af te dalen. De baron ontsteekt de olielamp, kijkt woest om zich heen en overweegt een fles wijn te pakken om de whisky mee weg te spoelen, maar zijn gezonde verstand krijgt de overhand. Hij zet enkele stappen, binnensmonds vloekend, en besluit een poging te ondernemen zijn slaapvertrek op te zoeken.
Terwijl hij zich omdraait raken zijn benen in de knoop en opnieuw dreigt baron Frits zijn evenwicht te verliezen. De whiskyfles valt op de vloer aan scherven en de baron klampt zich met zijn vrijgekomen rechterhand vast aan het in de muur gemetselde basreliëf van het familiewapen van Willem-Caspar van Merwijck, van wiens kleinzoon Frits’ grootvader in 1798 dit kasteel heeft geërfd. Negen hermelijnstaarten, links, aan de rechterkant het kruis uit het wapen van Willem-Caspars echtgenote Judith van Lynden en daarboven een gravenkroon. Hetzelfde wapen, maar door de weersinvloed van eeuwen vervaagd, siert sinds 1651 de toegangspoorten tot de kasteeltuin aan de Maaszijde en aan de kant van het dorp. Frits heeft overwogen het weg te laten halen, omdat het hem pijnlijk herinnert aan het feit dat het kasteel pas een halve eeuw in zijn familiebezit is. Daar is het niet beter van geworden, realiseert Frits zich maar al te vaak tijdens zijn steeds minder voorkomende nuchtere momenten. Het trotse gebouw heeft zeven eeuwen op zijn heuvel aan de Maas gestaan, aangetast door oorlog noch tijd. Maar onder de familie Keverberg, of eigenlijk onder Frits, is het verval begonnen. Sinds 1852 woont Frits er alleen – afgezien van enkele jaren met zijn vrouw en hun kind – en in die periode heeft de baron keer op keer op het verkeerde paard gewed. Jarenlange juridische strijd met de burgemeester van het dorp en conflicten met een Pruisische graaf hebben van Frits’ legale vermogen weinig meer overgelaten. In elk geval te weinig om het kasteel het onderhoud te geven dat het zo hard nodig heeft. En waarom zou Frits er nog geld in stoppen, vraagt hij zich steeds weer af. Hij heeft het verpand aan Karel, zijn oudere broer die een paar dorpen verderop in kasteel Aldenghoor zelfgenoegzaam vaders nalatenschap op zit te peuzelen, samen met hun moeder en die oude vrijster van een zus van ze. De baron heeft wel degelijk een flink vermogen achter de hand, maar daar kan hij voorlopig niets mee, gezien de manier waarop hij het heeft verworven.
Frits’ politieke carrière ligt grotendeels in duigen, zijn vrouw is weg, zijn dochter wil niets meer met hem te maken hebben en zijn kasteel is een bouwval en feitelijk eigendom van zijn broer. Van de vele hectaren grond die de baron ooit bezat, heeft hij het gros moeten verkopen. Het meest pijn deed het hem nog afstand te doen van De Weerd, een boerderij met grond aan de overkant van de Maas. De opbrengst heeft hij apart gezet voor zijn oude dag, maar nu overweegt hij er een nieuw huis van te bouwen om aan het verval en de eenzaamheid op het kasteel te ontsnappen.

Frits zakt wankelend door zijn knieën, zijn hand nog steeds steunend tegen de wapensteen. Hij reikt naar de hals van zijn fles, maar de stekende pijn doet hem realiseren dat de fles aan scherven ligt en zijn kostbare single malt tussen de voegen van de keldervloer verdwijnt. Al vloekend verliest Frits alsnog zijn evenwicht. Hij komt op zijn zitvlak terecht, zijn rug tegen een rek wijnflessen. De constructie wankelt vervaarlijk, maar blijft overeind. Zijn rechterhand stuit op een voorwerp dat onder het rek ligt. De baron trekt het tevoorschijn, het schrapende geluid van ijzer op steen weerkaatst schel tegen de gewelven. Hij kijkt even verwonderd naar het tangvormige werktuig, bedoeld om oude wijnflessen bij de hals open te snijden om te voorkomen dat er verbrokkelde kurk in komt.
Baron Frits heeft er een andere bestemming voor. Hij weet zichzelf weer overeind te krijgen, haalt uit en slaat de zware flessensnijder met kracht tegen het familiewapen van Van Merwijck. Het is een voltreffer en dat is gezien Frits’ staat een klein wonder. De wapensteen vertoont een barst en dat vat Frits op als een aanmoediging. Opnieuw haalt hij uit en met alle opgekropte woede en frustratie die hij in zich heeft slaat hij de steen aan gruzelementen.
Pas na een seconde of twee is de galm van de klap volledig verstomd. Baron Frits kijkt verwonderd naar het resultaat. Ondanks zijn eigen geestesstaat vraagt hij zich af waar hij deze kracht vandaan haalde, daarna realiseert hij zich dat het vreemd is dat de brokken steen niet op de grond voor hem liggen. Ze zijn verdwenen in een holle ruimte, op een plek waar een dichte muur zou moeten zitten. Frits laat de flessensnijder op de vloer kletteren en steekt zijn rechterarm in het gat waar zo-even nog de wapensteen uit 1651 zat.

Dan voelt hij iets dat hem in één klap bij zijn volle bewustzijn terug brengt.

Dit is een fragment uit ‘De Andere Kant van het Graf‘, een historische thriller.

De opkomst van de tekschrijver, de ondergang van de journalist

20 mei 2016 door Frank Jacobs 2 Reacties

Nee, dat is geen tikfout. Ik ga het niet hebben over tekstschrijvers, dat is een uitstervend ras. Tekstschrijvers zijn namelijk mensen die goede teksten schrijven en daar hun boterham mee verdienen. En boterhammen verdienen, dat is heel 2015. In 2016 outsourcen we alles naar lagelonenlanden. Helaas spreken ze daar geen Nederlands, dus het schrijven van teksten kun je niet over een Indiase schutting flikkeren. Dus blijven de media met dat laatste beetje werkgelegenheid in hun maag zitten. Hoe lossen ze dat op? Onlangs zag ik een advertentie frank jacobs telegraaf zzp vrijwilliger freelancevan een landelijk dagblad, waarin ze om een freelance webredacteur vroegen. Na een lange lijst hoge eisen, waaronder de bereidheid weekenddiensten te draaien, kwam een heel overzichtelijke opsomming met wat de krant te bieden had: redelijke koffie gratis en een starttarief van, hou je vast, vijftien euro per uur. Dan zijn we hard op weg zelf een lagelonenland te worden.

Vijftien euro per uur voor een journalist, iemand van wie een behoorlijke opleiding, grote creativiteit en bovengemiddeld brede ontwikkeling worden verwacht. Een vrachtwagenchauffeur krijgt als ZZP-er gemiddeld 28 euro en een tegelzetter stopt als zelfstandige zonder pensioen een bescheiden 32 euro in de zak van zijn overall. In mijn stad begint zich een complete subcultuur te vormen van amateurmedia. Online tijdschriften, gemaakt door mensen met veel vrije tijd die altijd al journalist wilden worden. Lokale ondernemers vertellen in ellenlange interviews dat ‘de klant altijd voorop staat’ en dat ‘zij pas tevreden zijn als u dat bent’. Gevolgd door een advertentie van hun eigen nagelstudio, rijschool of schoonmaakbedrijf. De enige die het lezen zijn ze zelf en de auteur. Maar ach, dat ziet niemand.



We hebben in de stad sinds kort zelfs een eigen radio- en tv-zender. Onze lokale Rupert Murdoch toetert dat hij al meer dan honderd medewerkers op zijn loonlijst heeft, maar de werkelijkheid is dat hij bijna uitsluitend vrijwilligers achter de geraniums vandaan heeft geplukt, die hij in een met gemeentesubsidie bekostigde studio van de straat houdt. Dat laatste is op zich lovenswaardig, maar noem het beestje dan wel gewoon bij zijn naam: sociale werkplaats.

Bezopen, maar de kroon wordt gespannen door de gevestigde orde. Een van ‘s lands grootste uitgeverijen is op zoek naar schrijvers. Mensen die, zo jubelt bijgaande advertentie, voor de kat z’n kut teksten willen schrijven, voor dat geld ook nog voor beeld moeten zorgen en dat alles onder druk van een snoeistrakke deadline. Mensen moeten het leuk vinden om te schrijven; ik ben benieuwd of die mensen ook hypotheekverstrekkers hebben die het leuk vinden om hun hypotheken te verstrekken en bakkers die het leuk vinden brood voor ze te bakken. Vanavond rijd ik zonder betalen weg bij de pomp. Leuk toch voor die pomphouder dat ik uitgerekend bij hem kwam tanken? Met een beetje mazzel komt het nog in Opsporing Verzocht ook: allemaal free publicity. Leuk!

Ooit maakte ik van mijn hobby mijn beroep, nu maakt dit soort uitgeverijen van mijn beroep weer een hobby. Gelukkig hebben ze de advertentie ook door een amateur op laten stellen, getuige de taalfouten. Dan zijn we tenminste nog gewaarschuwd voor wat we straks mogen verwachten van al die vrijwillige tekstschrijvers.

Plastic tasjes

26 januari 2016 door Frank Jacobs Reageer

Plastic tasjes: sinds 1 januari van dit jaar zijn ze taboe. Plastic tasjes zijn slecht voor het milieu. Net als tweetakt scooters, kiloknallers en vliegvakanties naar Antalia. Maar waar die allemaal legaal blijven, zijn plastic tasjes sinds kort in de ban. Dat is lastig voor middenstanders; heb je net voor een paar honderd euro kleding verkocht, moet je de klant door de stromende regen met die kostbare spullen los in de hand naar huis sturen. Of je kunt er geld voor in rekening brengen, maar ja, dat staat nogal krenterig. Dat supermarkten dat doen is tot daar aan toe, maar als servicegerichte winkelier die te midden van de online prijsvechters zijn vege lijf probeert te redden..



Waar conventionele winkeliers geen plastic tasje meer om hun waar mogen spannen, pakken hun online concurrenten de bestellingen in alsof ze via de maan onder water drie maal op en neer naar de klant vervoerd moeten worden. Bubbeltjesplastic, piepschuim chips, folie, binnendoos en een buitendoos.. maar hé, geen tasje. En dat ‘driemaal op en neer’ is nog niet eens zo ver bezijden de waarheid. Want de koerier die de spullen naar de klant brengt, belt keer op keer midden op de dag, dus bij voorbaat tevergeefs, aan, terwijl zijn bestelbusje op straat stationair half verbrande diesel met lekker veel fijnstof uit staat te braken. Daar kan geen schip vol plastic tasjes tegenop.

De armoedegolf van 2035: Zelfstandigen Zonder Perspectief

28 november 2015 door Frank Jacobs 1 Reactie

Gisterenavond zat ik in de kroeg met Jasper. Dat is een fictieve naam en je zult gauw genoeg begrijpen waarom ik zijn echte naam verzwijg. Op vrijdagavond is hij mijn kroegmaat, doordeweeks is Jasper directielid bij een groot bedrijf in het zuiden van het land dat luxe consumptiegoederen produceert. Specifieker kan ik het niet maken, om dezelfde reden dat ik Jasper niet bij zijn echte naam noem. De Firma heeft, zoals de meeste firma’s, sinds het begin van de recessie zware klappen moeten incasseren. Jaspers missie is De Firma weer gezond te maken voor de toekomst en dat pakt hij voortvarend aan, legde hij me uit. Enkele jaren geleden al heeft hij de financiële administratie “geoutsourced” naar een Indiaas bedrijf. Dat betekent dat dertig Nederlandse personeelsleden konden worden weggesaneerd. Dertig gezinnen brodeloos met vaak weinig uitzicht op een nieuwe toekomst, want De Firma is bepaald niet de enige firma die dit heeft gedaan. De Firma blijkt wat minder snel van betalen te zijn geworden; Indiërs zijn bekwame rekenaars, maar er ligt nog wel eens een koe op de weg. ‘Maar goed,’ verzekerde Jasper me, ‘ze zijn spotgoedkoop en je wilt niet weten hoeveel we hebben bespaard met dertig fte’s minder.’
Jaspers kaasschaaf smaakte naar meer, want kort na het opheffen van de boekhouding vond hij in Zilina een goedkoop ICT-bedrijf. Zestig programmeurs in het Nederlandse hoofdkantoor kregen de wacht aangezegd. Sindsdien gaan alle automatiseringsproblemen naar Slowakije. Toegegeven, van computers hebben ze verstand, maar de communicatie verloopt nogal eens moeizaam. Mail je ze dat je een bestand kwijt bent, wordt er daags daarna een pallet matrixprinters naast je bureau gezet. Meestal ben je óf alfa óf bèta, dat geldt ook voor Slowaken. Maar goed, zestig fte’s eruit? De kassa rinkelt.

Afgelopen jaar heeft Jasper zijn grootste klapper gemaakt. De productie is al ver voor de recessie naar China verlegd (mijn vraag of de recessie daar misschien ook niet een klein beetje door veroorzaakt is, beantwoordde hij met een flinke teug van zijn Grimbergen), maar bij het ondersteunende personeel op het hoofdkantoor bleek nog veel winst te behalen. Jaspers overredingskracht overtuigde het CWI en de OR een grote reorganisatie goed te keuren; meer dan honderd mensen werden “boventallig” en zitten inmiddels thuis meer tijd voor hun gezin te hebben.



Jasper heeft hun stoelen opgevuld met ZZP-ers. ‘Maar die zijn per uur toch veel duurder?’, vroeg ik in al mijn onwetendheid. ‘Per uur ja, maar per saldo juist niet,’ legde Jasper uit. ‘Als ik even geen werk voor ze heb, kosten ze me niets. Als ze ziek zijn, heb ik geen last van ze. En ik hoef die ellendige pensioenen niet meer te betalen.’
Ik probeerde Jasper uit te leggen dat die bijna tweehonderd werkloze ex-medewerkers geen geld meer hebben om zijn luxe consumptiegoederen te kopen. ‘Ze kunnen toch aan de slag als ZZP-er?’, wierp hij tegen.

‘Ze kunnen toch zwemmen?’, schijnt een van de eersteklas inzittenden van een reddingsboot die de met honderden verdrinkende derdeklas passagiers bezaaide rampplek van de zinkende Titanic verliet, te hebben gezegd. Ik vraag me af hoeveel van die nieuwe ZZP-ers er aan denken geld opzij te zetten voor hun oude dag of voor het geval ze ziek worden. Ik weet zeker dat het gros op dit moment wel wat anders aan zijn hoofd heeft. En al zouden ze er aan denken, je moet wel geld hébben om opzij te zetten.
Daarom voorzie ik over een jaar of twintig een armoedegolf zoals we die na de winter van ’44-’45 niet meer hebben gezien. Toen waren er nog de lente en de bevrijders in het vooruitzicht. Maar in 2035 is de enige lente voor al die bejaarde ZZP-ers liefdadigheid en de enige bevrijder de bijstand. De bijstand? Ik ben benieuwd wat daar over twintig jaar nog van over is nadat miljoenen vluchtelingen bij onze slinkende ruif zijn aangeschoven. ZZP-ers: straks zijn het zielepieten zonder perspectief. En dat allemaal dankzij de Jaspers van onze tijd.
Maar ach, ik vergeef het hem. Hij betaalde het gelag. Plus een rondje voor de hele kroeg, want, zo schaterde hij aangeschoten, ‘er zít me er toch een eindejaarsbonus aan te komen!’

Verlengstuk

14 november 2015 door Frank Jacobs Reageer

Terwijl in Meppel de samenleving is verdeeld in voor- en tegenstanders van Zwarte Piet, huilt de rest van de wereld om Parijs. De tijdlijn van Facebook puilt uit van de mensen die de wereld willen laten weten dat ze meeleven met de slachtoffers en op Twitter hashtagt iedereen zijn verdriet. Natuurlijk vind ik het ook verschrikkelijk, maar realiseren al die hashtaggers zich eigenlijk wel dat ze met hun geëtaleerde emoties complimentjes naar IS sturen? Het woestijntuig heeft maar één doel voor ogen en dat is onze angst en verbijstering. Die wij massaal de wereld in sturen via social media; met alle goede bedoelingen, maar met averechts effect.

Erger vind ik de professionele media. Die zouden beter moeten weten en dat doen ze volgens mij ook. Natuurlijk moet je als krant brengen wat er in Parijs is gebeurd, maar dat kun je ook doen zonder beelden van bebloede, gillende mensen. Hoeveel mensen zijn gedood, waar, wanneer, door wie: we willen het weten. Maar een hysterische vrouw die snikkend op camera vertelt hoe haar buurvrouw een kogel door haar hoofd kreeg? Wat voegt dat toe? Een overlevende die stamelt dat hij doodsangsten uitstond? Goh, ik zou verwachten dat hij een beetje reuring in zo’n saai restaurant wel op prijs had gesteld. De Telegraaf beloofde zijn lezers vanmorgen een ‘sfeerverslag’ uit Parijs. Vertel mij, wat voegt dat toe? Nou, dat zal ik je vertellen: de woestijnratten in Al Raqqah zitten met cola en chips van die huilende mensen te genieten. Afgescheurd kinderarmpje, teddybeer nog in de knuistjes gekneld? Smullen! Daar doen de geloofsfanaten het voor.



Vrijheid van pers is een groot goed en daar mogen we wat mij betreft ook niet aan tornen. Maar als pers heb je ook verantwoordelijkheden en die heb je te overwegen wanneer je ‘sfeerverslag’ een podium is voor lieden die angst willen zaaien. Kijkcijfers en losse verkoop knallen door het plafond, mits je terrorisme faciliteert: keuzes, keuzes. Ik geloof niet dat de we de media kunnen en mogen verbieden dit soort sensatieverslaggeving te doen. Ik geloof wél dat we van de media mogen verwachten dat ze zich realiseren dat ze ons geen, maar de terroristen des te meer dienst bewijzen met dit soort berichtgeving. Tenslotte zijn we als media ook in staat gebleken zonder dwang van boven tot consensus te komen over het onherkenbaar maken van verdachten en het berichtgeving over zelfmoorden.

De verdwenen Porsche van James Dean

10 november 2015 door Frank Jacobs Reageer

550aIn 1960 verdween het wrak van een zeldzame Porsche tijdens transport uit een gesloten vrachtwagen, zonder dat het zegel was verbroken. Sindsdien is nooit meer wat vernomen van de verkreukelde zilverkleurige massa, die ooit de trots was van James Dean. Daarmee raakte het wrak, dat tussen Deans dodelijke ongeval in 1955 en de raadselachtige verdwijning in 1960 een spoor van mysterieuze incidenten had achtergelaten, langzaam maar zeker in de vergetelheid. Afgelopen maand, ruim een halve eeuw later, doken geruchten op dat de Porsche van James Dean achter een dubbele wand verborgen is, ergens in het noordwesten van de Verenigde Staten. Waarom net nu? Is het toeval dat George Barris, de man die het wrak na de crash van Dean kocht en later in zijn boek ‘Cars of the Stars’ de mythe aanwakkerde, net vorige week overleed?

Eén ding is zeker: 55 was niet bepaald het geluksgetal van de Amerikaanse Hollywood-ster James Dean. In 1955 liet hij het leven achter het stuur van zijn Porsche 550 Spyder met serienummer 0055. De ultieme filmheld uit de jaren vijftig zou nu 84 zijn geweest, maar hij stierf lang geleden, toen de meesten van ons nog geboren moesten worden. Veel had de kleine, maar charismatische Dean in elk geval niet nodig om wereldfaam te halen. Afgezien van een rij kleinere rollen in film en televisie is zijn serieuze CV beperkt gebleven tot East of Eden, Rebel Without a Cause en Giant.
Bij Deans imago als ‘angry young man’ paste zijn passie voor snelle auto’s en motoren en hij was met grote regelmaat te vinden op de circuits van het Amerika van de jaren vijftig. Filmproducent Warner Brothers was daar niet gerust op (waar ze ironisch genoeg maar al te gelijk in zouden krijgen) en verbood Dean om te racen gedurende de opnameperiode van Giant. Des te meer zin had Dean in september 1955 om weer achter het stuur te kruipen.

550bOp 21 september 1955 ruilde hij zijn Porsche Speedster in voor een 550 Spyder die hij ‘Little Bastard’ noemde, ook zijn eigen bijnaam. De Britse acteur Alec Guinness verklaarde later dat hij Dean twee dagen later voor een restaurant in Hollywood tegen het lijf liep. Dean liet hem zijn nieuwe Porsche zien en Guinness kreeg naar eigen zeggen een vreemd voorgevoel. “If you get in that car, you will be found dead in it by this time next week,” zei hij tegen Dean.



Waar of niet, feit is dat de vermeende profetie uitkwam. Op zondag 2 oktober zou Dean zijn eerste race met de nieuwe Porsche gaan rijden op Salinas, een circuit zo’n honderd kilometer ten zuiden van San Francisco. In het begin van de vrijdagmiddag ervoor reed Dean weg uit Los Angeles, met naast hem Porsche-fabrieksmonteur Rolf Wütherich. Eigenlijk zou hij zijn Porsche op een trailer naar het circuit rijden, maar Wütherich vond het verstandiger om de kilometers te gebruiken om de gloednieuwe bolide in te rijden voor de eerste race. De trailer reed er achteraan, getrokken door een nieuwe Ford Country Squire met achter het stuur Deans vriend en stuntman Bil Hickman en daarnaast de eveneens met Dean bevriende fotograaf Sanford H. Roth. Het gezelschap reed die vrijdagmiddag over de Route 99 naar het noorden, om vlak voor Bakersfield linksaf te slaan, de 166 op. Via de 33 kwamen ze op de Route 466, de Paso Robles Highway. Op de kruising van die wegen, bij Blackvells Corner, pauzeerden ze en dronken ze koffie met twee andere coureurs, die ook op weg waren naar Salinas. Toen ze hun weg vervolgden, had de 24-jarige Dean geen flauwe idee dat hij geen half uur meer te leven had.
Dean had er zin in en gaf zijn nieuwe auto flink de sporen. Tegen kwart voor zes in de avond naderde hij de splitsing met Route 41. Uit de tegenovergestelde richting kwam de 23-jarige student Donald Turnupseed in zijn zwart-witte Ford Tudor aangereden. Turnupseed sloeg linksaf richting Fresno en zag daarbij, door de in de avondschemering wegvallende zilveren kleur, de naar verluidt met 140 km/h aanstormende Porsche over het hoofd. De auto’s raakten elkaar vrijwel frontaal. De snelheid werd overigens later door de twee politiemannen die als eerste bij het ongeval kwamen in twijfel getrokken. Hoe dan ook, de vederlichte Porsche vloog door de lucht en kwam weer op de wielen terecht. Wütherich werd er uit geslingerd, Dean bleef met een voet klemmen tussen de pedalen. Beiden werden in één ambulance naar het ziekenhuis van Paso Robles gebracht, maar Dean was al dood toen ze er aankwamen. Zijn laatste woorden van een van zijn laatste interviews zijn minstens zo profetisch als de herinneringen van Alec Guinness gebleken.

Daarmee veranderde James Dean in één klap van een aanstormend talent in een legende. Maar ook begon hiermee een merkwaardige reeks verhalen rond Deans 550 Spyder, waarover wordt gefluisterd dat er een vloek op rustte. George Barris, een bekende autotuner uit Los Angeles, kocht het wrak voor 2.500 dollar. De motor was inmiddels verkocht aan een zekere Troy McHenry, die er een jaar later dodelijk mee verongelukte. De versnellingsbak werd hergebruikt door een andere amateurcoureur, William Eschrid, die er eveneens mee crashte, maar het overleefde. Het wrak zelf toerde een paar jaar door de VS, waar het bij allerlei manifestaties als schrikbeeld diende om mensen te waarschuwen voor roekeloos rijgedrag. Tijdens die tournee viel het wrak tweemaal van de trailer. Eenmaal brak een monteur hierdoor zijn been, de tweede keer viel het bovenop de vrachtwagenchauffeur, die het niet overleefde en zo het derde dodelijke slachtoffer werd van de Porsche 550 Spyder met serienummer 0055. In Sacramento gleed de Porsche van zijn display, waarbij hij een kind verwondde. Een loods waar de Porsche stond gestald vloog in brand, maar de Spyder overleefde het inferno. Het is een track record waar Stephen Kings Christine nog wat van kan leren.

Maar hoe betrouwbaar zijn al die verhalen? Dat er opnieuw raceongevallen gebeurden met de onderdelen, is niet zo verwonderlijk. Autosport kent risico’s. De incidenten tijdens transport zijn een halve eeuw later amper nog te verifiëren. Feit is dat een belangrijke bron van de mythes het boek ‘Cars of the Stars’ is, geschreven door, jawel, George Barris. Ten tijde van de verdwijning eigenaar van het wrak en die, aldus James Dean-kenner Warren Beath en Porsche-historicus Lee Raskin, een tanende belangstelling voor zijn griezel-object zag. Als er iemand de mysterieuze verdwijning uit een verzegelde vrachtwagen had kunnen regisseren, dan was het Barris. Het leverde hem in elk geval hernieuwde fascinatie voor de Porsche van James Dean op.

Maar kwijt is kwijt en de 550 bleef kwijt. Brian Grams, een museumbaas uit Chicago, loofde in 2005, ter ere van Deans vijftigste sterfdag, samen met Barris een miljoen dollar uit voor degene die op de proppen zou komen met het wrak. Ze konden hun portefeuille gesloten houden. Tot eerder dit jaar Grams werd gebeld door een oude man, die beweerde als zesjarige jongen te hebben gezien hoe zijn vader het wrak achter een blinde muur in een gebouw in de staat Washington verstopte. De oude man herhaalde zijn verklaring aan de leugendetector en slaagde voor de test. Tot op heden houdt hij de exacte locatie geheim, in afwachting van een financiële overeenkomst.
Broodje aap? Feit is dat later dit jaar een film over Dean verschijnt, ‘Life’. Een publiciteitsstunt dan, die teruggevonden Porsche? Mogelijk. Feit is dat het wrak érgens moet zijn, al dan niet in 1960 verstopt door Barris. Feit is dat we hem niet meer aan de leugendetector kunnen hangen, want Barris is vorige week op 89-jarige leeftijd overleden.

  • « Vorige pagina
  • 1
  • …
  • 11
  • 12
  • 13
  • 14
  • 15
  • …
  • 19
  • Volgende pagina »

Over Frank Jacobs

Frank Jacobs (1966) is crossmediaal en multimediaal journalist en schrijft, fotografeert en filmt voor onder meer AutoWeek, NU.nl, Quest Historie, GTO Magazine en Lifestyle Almere. Daarnaast presenteert hij autoprogramma’s op AutoWeek TV en voorheen Discovery Channel.

Hij studeerde automobiel management en Frans en woonde en werkte jarenlang afwisselend in Frankrijk, Engeland, Duitsland en Spanje.

Lees meer over Frank Jacobs.

Zoeken

  • Why Nuclear Energy is a Very Bad Idea
  • Waarom de flitsmarathon onzin en bangmakerij is
Copyright 2015 | Frank Jacobs | KvK Almere 62518755