Frank Jacobs

journalist, schrijver en autojournalist

  • Artikelen
    • De Naardense moordzaak
    • Lost in Transition: energietransitie, maar dan?
    • Karin Slaughter over Tesla
    • Dodenvlucht Neptune 212 wellicht diefstal
    • Neptune 212: dodenvlucht boven Katwijk
    • Dakota 079: de weggemoffelde vliegramp van Biak
    • Het duistere verleden van BMW-familie Quandt
    • Religieuze moord op zee: het geheim van de KW 171
    • Ferdinand Piëch, de geniale megalomaan van Volkswagen
    • Volkswagen: familievetes en stoeltjewip
    • De verdwenen Porsche van James Dean
    • Terugkeer van een dode baron (2)
    • Terugkeer van een dode baron
    • Portfolio
  • Columns
    • Waarom de flitsmarathon onzin en bangmakerij is
    • Dieren mogen worden doodgereden, vindt de Provincie Zuid-Holland
    • Waarom kernenergie een heel slecht idee is
    • Armoede? Je hebt geen idee wat dat is
    • #NederlandVleesland
    • Omgekeerde vlaggen en boerenzakdoeken: zo herken je de simpelen van geest
    • Armoede los je zo op
    • Veevervoer? Complimenten aan Schiphol!
    • Eva Vlaardingerbroek, ga dansjes doen op TikTok
    • Paybacktime
    • Franse probleemjongeren welkom in Nederland
    • Windmolenparken op zee
    • Zijn katten invasieve exoten?
    • Zijn wielrenners asociaal?
    • Second Love: daten voor proleten
    • NewSpace: hoogplassen voor miljardairs
    • Corona: de aarde haalt opgelucht adem
    • Corona: een lesje in bescheidenheid
    • Corona: de zeven pluspunten
    • 2019 en mijn ingebeelde vriend
    • Zwarte Piet? Zand erover
    • De leugens van Koos Spee
    • Foei Halsema!
    • Een dagje aan het strand
    • De mysterieuze verdwijning van Anja Schaap: wat houdt de politie achter?
    • Wannabe-journalisten
    • Thierry Baudet: omfloerste poep
    • Arbeidsparticipatie: een pakketje schroot met een dun laagje chroom
    • Like me of zwijg
    • Vuurwerk? Rot op!
    • Lisette Vroege slachtoffer orgaanhandel?
    • Waarom Schiphol op zee bezopen is
    • Duitsland huichelland
    • Referendum: onderbuikdenkers aan de macht
    • Social influencers
    • Coen was een held
    • Aangifte doen is voor mietjes
    • 2018, het jaar van het non-nieuws
    • Wanneer wordt Lisette Vroege gevonden?
    • Waarom een dierenleven meer waard is dan een mensenleven
    • Boom!
    • Brexit? We still love you!
    • De opkomst van de tekschrijver, de ondergang van de journalist
    • Autojournalist
    • Dit is er mis met grote organisaties
    • Plastic tasjes
    • De armoedegolf van 2035: Zelfstandigen Zonder Perspectief
    • Verlengstuk
    • Vel d’Hiv: hoe bootvluchtelingen je vakantie bederven
    • Terug in je kist!
  • Korte verhalen
    • Op Slot – kort verhaal
    • De Laatste Pomp – kort verhaal
    • Ik deel hier de lakens uit – kort verhaal
    • Broedertwist – kort verhaal
  • Foto
    • Photography
  • Video
    • Documentaires
    • Autoweek TV
    • Fifth Gear Europe
    • Tuf-tuf Club op TV
  • Contact
    • Over Frank
    • Contact
    • English
    • Français
    • Deutsch
  • Email
  • Facebook
  • Google+
  • Instagram
  • LinkedIn
  • Twitter
  • YouTube
Contact

Lisette Vroege slachtoffer orgaanhandel?

28 december 2018 door Frank Jacobs 1 Reactie

Eerder schreef ik over de mysterieuze verdwijning van Lisette Vroege, ruim een kwart eeuw geleden in Haarlem. Naar aanleiding van die column werd ik benaderd door een man die een heel eigen kijk heeft op het mysterie en er zelfs een mogelijke verklaring voor heeft. Inclusief vermeende daders, met naam en toenaam.

‘De Fantast van Haarlem’: de weinig flatteuze titel die zijn tegenstanders hem hebben gegeven, heeft George de Vries zichzelf als geuzennaam aangemeten, als om te zeggen dat hij er geen seconde wakker van ligt. Of dat verstandig is waag ik te betwijfelen. George bijt zich al meer dan dertig jaar als een terriër vast in de nooit opgeloste verdwijning van Cheryl Morriën en schreef daar zelfs een boek over. Door jezelf fantast te noemen, al is het maar uit cynisme, bewijs je je eigen geloofwaardigheid geen dienst.

Toch heb ik gefascineerd naar het verhaal van George geluisterd. Want zelfs al zou hij hier en daar wat zijn doorgedraafd met zijn theorieën, nog steeds is het een man die is blijven zoeken en (soms letterlijk) graven nadat politie en justitie het dossier reeds lang hadden gesloten. Al is maar tien procent van wat hij denkt te weten waar, dan is hij nog steeds verder dan de officiële instanties.

De preoccupatie van George de Vries richt zich aanvankelijk op Cheryl Morriën, een zevenjarig meisje dat op 5 augustus 1986 spoorloos verdween in haar woonplaats IJmuiden. Hij begint zijn eigen speurtocht, loopt daarbij keer op keer tegen een muur van onwil en ongeloof bij justitie en schrijft een boek over de zaak, waarin hij stelt dat de beoogde dader, de inmiddels overleden seriemoordenaar Michel Stockx, niets te maken heeft met de verdwijning van Cheryl.
Tijdens zijn onderzoek stuit De Vries op verbanden met de vermissing van Lisette Vroege, een zaak die zes jaar na de verdwijning van Cheryl Morriën speelt. De Vries denkt dat beiden in handen vielen van dezelfde illegale orgaanhandelaren, van wie hij zelfs de namen en adressen weet te vertellen.

De Vries’ betrokkenheid bij de zaak Morriën begint op dinsdagmiddag 5 augustus 1986, de dag van Cheryls verdwijning. Hij loopt in die tijd meerdere keren per week hard in de Kennemerduinen, waar hij dan heen fiets om zijn fiets bij Het Wed, aan de Zeeweg in Overveen, te stallen. Die middag ziet hij op die parkeerplaats een groene Lada stationcar staan en even verderop een oranje Ford Transit bus. Tijdens zijn ronde, over een pad dat parallel loopt aan de Hoge Duin en Daalseweg in Bloemendaal, ziet hij tot zijn verbazing twee mannen in pak de struiken uit komen. Wanneer hij een uur later terug bij de parkeerplaats is, zijn de Lada en de Ford verdwenen.



Nou komen er in natuurgebieden wel vaker heren uit struiken gekropen, maar als een week na de verdwijning compositietekeningen op tv worden getoond van de mannen bij wie Cheryl voor het laatst in de auto werd gezien, denkt De Vries het tweetal te herkennen. Dan legt hij ook het verband tussen de Lada waarin Cheryl verdween en de Lada die hij die dag bij Het Wed heeft gezien. Toch meldt hij dit niet bij de politie. Om persoonlijke redenen, schrijft hij in zijn boek. Dat klinkt wat dubieus, maar tegenover mij heeft hij de omstandigheden toegelicht en je mag van me aannemen dat zijn motivatie begrijpelijk was en boven twijfel verheven.

Pas drie jaar later besluit hij met zijn bevindingen en eigen tekeningen naar justitie te stappen, maar die nemen hem dan niet meer serieus. “Ze zeiden: dat verzin je allemaal en je hebt je compositietekening grotendeels nagetekend van wat er in de krant heeft gestaan. Ze hebben mijn verhaal weggewuifd omdat ze toen die Stockx al op de korrel hadden”, zegt De Vries nu tegen mij.

Ondertussen heeft De Vries zelf ook niet stilgezeten en heeft hij beide mannen weten te traceren. De een heet Frits B. (volledige naam bij mij bekend), woont in Akersloot en is de zoon van een dame die ten tijde van Cheryls verdwijning aan de Hoge Duin en Daalseweg in Bloemendaal woont (op een steenworp afstand van waar De Vries hem uit de struiken zag komen). De ander, Ronald van der M. (ook zijn volledige naam is mij bekend) woont dan in Schalkwijk bij Haarlem. “Vlak bij de oma van Cheryl”, zegt De Vries.

Cheryl Morriën laat ik nu even voor wat ze is, het gaat hier over Lisette Vroege. Die verdwijnt, zoals ik eerder schreef, op 3 juni 1992, zes jaar na Cheryl. Op dat moment valt De Vries op dat zijn verdachten in de zaak Morriën beiden een band met Lisette hebben. B. werkt als fysiotherapeut bij de Mariastichting in Haarlem en was een tijd Lisette’s stagebegeleider. Van der M. heeft een handel in paramedische hulpmiddelen. en Lisette, zelf sinds kort fysiotherapeut, komt twee keer per week bij hem in de zaak om spullen voor haar werk te kopen.

Opnieuw loopt De Vries bij de politie tegen een muur van ongeloof aan. Maar dat ontmoedigt hem niet. Integendeel, hij richt zijn eigen onderzoek nu ook op Lisette Vroege. Het feit dat Lisette zowel B. als Van der M. persoonlijk goed kende, zou kunnen betekenen dat ze op de avond van haar verdwijning zonder slag of stoot bij een van beiden was zijn ingestapt. Lisette was ten tijde van haar verdwijning naarstig op zoek naar nieuwe woonruimte en het ouderlijk huis van B. aan de Hoge Duin en Daalseweg, waar hij executeur testamentair van was, stond leeg, weet De Vries: “Zijn moeder was overleden en het stond op de nominatie om verkocht te worden.” Frits B. had Lisette gemakkelijk thuis kunnen opwachten om haar mee te tronen om het huis te bekijken. Waarom zou ze haar voormalig stagebegeleider wantrouwen?



Wat tegen B. pleit, is zijn gedrag rond de woning aan de Hoge Duin en Daalseweg na de verdwijning van Cheryl Morriën, vertelt De Vries: “In de periode dat zijn moeder opgenomen was, heeft hij een prieeltje in de tuin gebouwd, op een betonnen fundering. Dan denk ik: als je moeder al zwaar op leeftijd is, met het vooruitzicht dat ze niet meer terug komt, of misschien nog heel kort, dan ga jij geen prieeltje storten op drie bij twee van beton met een hele overkapping erop. Ik heb het vermoeden dat als er iets in die tuin ligt, dat het daar onder ligt. Ze hebben er nu alweer een oprit overheen gestort.” Bovendien is B., zo weet De Vries, ten tijde van de verdwijning van Cheryl eigenaar van een Groene Fiat 124 stationcar, een model dat slechts op details afwijkt van de als Lada geïdentificeerde auto waarin Cheryl is ontvoerd.

Lada 2102
Fiat 124

De Vries’ wantrouwen jegens B., die inmiddels in Bergen woont, blijft knagen. De huidige bewoner van het huis aan de Hoge Duin en Daalseweg, volgens De Vries een ‘bekende van politie’ maar niet bij deze zaak betrokken, weigert mee te werken aan onderzoek op zijn perceel. Niettemin neemt De Vries contact op met Signi Zoekhonden, die in 2017 de omgeving van het perceel afspeuren: “Eén hond sloeg aan aan de noordkant van de tuin, terwijl de wind uit het zuidwesten kwam, twee voor, bij de oprit. Een lijklucht dus. We belden de politie, die met veel bombarie en een officier van justitie aan kwamen rijden. Ze zouden het doorgeven aan het cold case-team, maar er is nooit iets mee gebeurd.”

Je kunt George de Vries bestempelen als een hedendaagse Don Quichot of, zoals de volksmond zegt, de Fantast van Haarlem, maar gebrek aan volharding kun je de man in elk geval niet in de schoenen schuiven. Dat doet hij op zijn beurt des te meer richting justitie. Volgens De Vries laat de politie steek op steek vallen, zowel in de zaak Cheryl Morriën als in de zaak Lisette Vroege: “Ik heb het zelfs zo meegemaakt: ze moesten de vorige bewoner vinden van dat huis aan de Hoge Duin en Daalseweg. Na een half jaar kreeg ik een brief dat die mensen vermoedelijk waren vertrokken naar het buitenland en dat ze niet waren te traceren. De volgende middag had ik ze allebei gevonden: de een in Frankrijk en de ander in Groningen.” En: “Dezelfde mensen in twee verdwijningszaken. Plus het feit dat die honden onafhankelijk van elkaar aanslaan. Daar ga je toch op zijn minst naar kijken? Het lijkt wel of ze het niet willen. Ik heb heel veel correspondentie met justitie. Ze hebben er geen belang meer bij, ze kunnen er niet mee scoren.”

Waar of niet, noch Cheryl Morriën, noch Lisette Vroege is gevonden, terwijl we inmiddels een klein half mensenleven verder zijn. Beiden zouden nu vrouwen van middelbare leeftijd zijn en niemand zal ooit weten wat ze in hun verloren leven bereikt zouden hebben. Is er dan geen enkele denkbare verklaring voor de verdwijningen van Lisette Vroege en Cheryl Morriën? George de Vries denkt van wel: “Frits B. is gewoon fysiotherapeut geweest, hij heeft anderhalf jaar geleden een huis in Bergen gekocht voor 700.000 euro, terwijl zijn oude huis in Akersloot nog niet eens verkocht was, hij heeft twee boten van een meter of 14, 15. Hij heeft een huis in Portugal. Ik vind het knap dat je dat kan van een salaris van een fysiotherapeut. Ik wil het niet in verband brengen, maar zijn huis in Portugal ligt in de buurt van waar Maddy McCann is verdwenen. Ik denk zelf dat je in de richting van orgaanhandel moet zoeken. Een hart bracht in ’86 250.000 dollar op op de zwarte markt.”

Is daarmee Dinand  (of Dinant, Dynand of Dynant) Heiner, vriend van het slachtoffer toch een van de belangrijkste verdachten in de verdwijning van Lisette Vroege, vrijgepleit? George de Vries heeft nooit echt in zijn betrokkenheid geloofd: “Ze vielen over het feit dat hij bladzijden had gescheurd uit het dagboek van Lisette. Ik denk dat daar een heel logische verklaring voor is. Als jij een seksuele relatie met zo’n meisje hebt en zij schrijft misschien dingen daarover in haar dagboek, wil jij niet dat de politie dat leest of dat het misschien straks op tv wordt uitgezonden van hij deed dit of hij deed dat. Hoe onschuldig het misschien ook is: ik zou het er ook uit scheuren. Ik heb Dinand ooit gevonden in de Tempeliersstraat in Haarlem, ben niet bij hem langs geweest. Stel, je vrouw verdwijnt en ze komen jou daar even over doorzagen. Ten eerste zit je al met de spijt dat ze verdwenen is en dan gaan ze je misschien nog beschuldigen.”

We zullen het wellicht nooit weten, net als van zo veel andere raadselachtige verdwijningen: Tanja Groen, Natalee Holloway, noem maar op. Gelukkig heeft Corrie van der Valk bewezen dat niet elk mysterie eeuwig houdbaar is. Worden ze ooit opgelost? Als het aan ‘fantasten’ zoals George de Vries ligt, misschien wel.

Kijk ook de minidocu over Lisette Vroege:



 

De Andere Kant van het Graf – historische thriller (synopsis)

13 juni 2016 door Frank Jacobs 1 Reactie

kessel keverberg frank jacobs frankjacobs

Na de dood in 1921 van een onbeduidende non in een Limburgs klooster lijkt de oude adellijke familie Van Keverberg Van Kessel definitief uitgestorven. Lijkt, want een eeuw later wordt duidelijk dat de laatste baron, de vader van de non, in de mistroostige avond van zijn leven dingen in gang heeft gezet die hun dodelijke tentakels naar het heden uitstrekken. Plotseling wordt om zijn nalatenschap op leven en dood gestreden, maar waarom? Welk geheim heeft hij mee zijn kist in genomen? Uiteindelijk kan alleen nog het graf van de baron verdere escalatie voorkomen, maar niemand weet waar dat zich bevindt.
De Andere Kant van het Graf is een historische fact-fiction thriller, gebaseerd op het roerige leven van Baron Frederik van Keverberg van Kessel, een kleurrijke querulant die in 1876 overleed en vervolgens spoorloos verdween, een mysterie achterlatend. Het verhaal vliegt op en neer tussen het besloten Limburgse dorpsleven in de negentiende eeuw en het Parijs van onze tijd en voert mee met landverhuizers over de Atlantische Oceaan naar het vijandige New York, het achterliggende land van de onbegrensde mogelijkheden en via de prairies van Nebraska terug naar de duistere geheimen van de baron.

Lees hier een fragment uit ‘De Andere Kant van het Graf’.



Eerste hoofdstukken van ‘De Andere Kant van het Graf’

31 mei 2016 door Frank Jacobs 1 Reactie

Dan zullen de grijze muren spookachtig oprijzen op den heuvel aan den oever der Maas, dan zal het zonlicht grillig vallen in de holle vertrekken, waarboven de blaauwe hemel blinkt, dan zal de storm door de open vensternissen gieren en de woekerplanten zullen opschieten langs de kale wanden. Dan zal de bezoeker ronddwalen in den somberen bouwval, en geheimzinnige stemmen zal hij hooren fluisteren van geslachten, die lang zijn voorbij gegaan. Te vergeefs zal hij trachten, eenige verstaanbare klanken te vernemen, als hij uit den mond der geschiedenis iets anders wil opvangen dan eenige dorre namen, en de sage zal niet aanvullen, wat haar ernstiger zuster hem niet geven kan..

Jacobus Craandijk, 1880
 

Mijn jarenlange hoop dat ik jou ooit weer in mijn armen zal kunnen sluiten is inmiddels wel gevaren, maar het is mijn laatste en diepste wens dat jullie dan samen zullen terugdenken aan jullie vader en met de gedachte daaraan zal ik aanstonds mijn ogen voor eeuwig sluiten en vrede vinden met mijzelf en de Heer.
Weet, mijn beminde Mathilde, dat ik altoos van je heb gehouden en dat gene zijde van het graf tot in de eeuwigheid zal blijven doen. Vaarwel dochter,
Je liefhebbende vader

Baron Frederik van Keverberg van Kessel, 1876

 


EPILOOG

North Platte, Nebraska USA, zomer 1876
Waanzin. Totale krankzinnigheid.
Hij heeft het in zijn korte leven niet eerder gezien, maar herkent het onmiddellijk, uitgerekend in de ogen van de jongen die hij sinds zijn vierde jaar als zijn enige en onmisbare vriend beschouwt. Hij ziet krankzinnigheid, maar van zijn vriend zelf herkent hij amper meer een spoor in die ogen. Ze lijken enkele tinten lichter groen geworden en zijn tot spleetjes geknepen, waaruit een onpeilbare haat gloeit.
De jongen deinst een paar centimeter terug, maar voelt zijn hand achter zich wegglijden, waarbij de scherpe kiezels in het zachte vlees van zijn pols snijden. Impulsief gaat hij wat rechter zitten, zodat hij zijn gewicht van zijn hand naar zijn zitvlak verplaatst. Achter hem hoort hij de steentjes de klif af rollen. Zijn vriend reageert door het stuk hout dat hij in de aanslag heeft wat verder naar achteren te bewegen.
‘Alsjeblieft..’, weet de jongen uit te brengen. Nog maar een kwartier geleden zou hij niet hebben geloofd dat zijn vriend hem ooit meer dan een speelse tik zou geven. Zelfs toen hij hem een bloedneus had geslagen, dacht de jongen nog dat zijn vriend handelde in een vlaag van verstandsverbijstering, die hij snel weer te boven zou komen. Dat leek ook even te gebeuren, totdat de jongen de woorden uitsprak waarvan hij geen idee had dat ze zo gevoelig konden liggen.
Zijn vriend antwoordt met een schijnbeweging met het stuk hout. Opnieuw deinst de jongen een stukje terug, al laat de rand van de klif hem weinig ruimte meer. Het bloeden van zijn neus is inmiddels gestopt, maar hij proeft nog steeds de ijzersmaak in zijn mond. De ogen van zijn vriend stralen ijzige kalmte uit, maar de jongen kan zijn zware, versnelde ademhaling bijna voelen.
‘Ik heb het niet zo bedoeld,’ probeert de jongen het nog eens. Zijn ogen scannen razendsnel de omgeving, op zoek naar een ontsnapping die er niet is. De afgrond achter hem is zeker vijftien meter diep en zelfs als hij zich afzet en de rivier haalt, zal het water zijn val amper breken. De rotsachtige bodem loopt hier heel geleidelijk af, weet hij van de talloze keren dat ze hier samen zwommen. Hij kan alleen proberen zijn vriend te overmeesteren, maar de stok in zijn handen ziet er loodzwaar uit. De afgebroken zijtakjes zijn droog en puntig, waardoor het een natuurlijk gevormde goedendag is. De jongen realiseert zich wat die punten in zijn ogen kunnen aanrichten en voelt een rilling over zijn rug lopen.
Zijn vriend zet een stap dichterbij, griezelig langzaam, theatraal, de stok nog steeds in de aanslag. Hij beweegt hem nu zachtjes op en neer, bijna hypnotisch, zoals een kat net voor de aanval zijn achterlijf zet. Op zijn te korte beentjes zou het onder andere omstandigheden iets koddigs hebben. Maar de jongen ziet de opgezwollen bicepsen van zijn vriend met kloppende aderen uit de mouwen van zijn hemd steken en die vertellen een ander verhaal. Een zweetdruppel rolt langzaam omlaag en weerspiegelt de schittering van de zon. Zijn moeder heeft zo vaak gezegd dat dit geen goede vriend voor hem is en dat ze hem niet vertrouwt. Heeft ze dan toch gelijk?
‘Laten we er alsjeblieft over praten, ik weet..’
Zijn vriend haalt uit, de jongen ziet de stok op zich af komen. Het gaat razendsnel, maar tegelijkertijd lijkt het in slow motion te gebeuren. De jongen heft zijn arm op in een poging zijn gezicht te beschermen en de tak raakt zijn onderarm net onder zijn pols. Het bok kraakt, een van de punten trekt een driehoek vlees van zijn arm en de jongen schreeuwt het uit. Met zijn andere arm zoekt hij steun op de rand van de rots. Hij voelt zijn hand langzaam wegglijden en in een reflex probeert zijn linkervoet zijn evenwicht te herwinnen.
De jongen werpt een korte blik in de afgrond onder hem, waar de glinsterende oppervlakte van de rivier op hem lijkt te wachten. Als hij weer opkijkt, ziet hij dat zijn vriend weer een stap dichterbij is gekomen en de stok opnieuw boven zijn hoofd houdt. De jongen gilt het nu uit, van pijn en uit doodsangst. Zijn vriend haalt opnieuw uit, met nog meer kracht dan de eerste keer. De gebroken arm weigert dienst, de jongen heeft geen ledematen meer vrij om de klap op te vangen en de stok raakt hem met verpletterende kracht in zijn gezicht. Zijn neus, oogkas en onderkaak worden vermorzeld, maar de pijn wordt overschaduwd door het weeë gevoel dat hij in zijn onderbuik krijgt op het moment dat hij zijn evenwicht verliest en over de rand van de klif valt.
Door een rode waas ziet hij de rivier, zijn hengel half op het kiezelstrandje, snel dichterbij komen. De jongen probeert zich op die hengel te concentreren, alsof het de laatste strohalm is, een laatste houvast aan de normale wereld, die nog maar een paar minuten geleden de gewoonste zaak leek, maar nu verder weg dan ooit is. Hij maakt een afwerend gebaar met zijn ongeschonden arm, maar die kan niet voorkomen dat zijn hoofd met een onvoorstelbaar harde klap tegen een rotsblok slaat.
Heel even is de pijn allesoverheersend, maar al gauw wordt hij verdrongen door het koele, zwarte niets.




1

Kessel, zondag 21 juni 2015
Serge Janiaud had de halve middag in de auto gezeten en stond nu op het jaagpad langs de rivier. Gefascineerd keek hij omhoog naar een gebouw dat trots en hoog op de dijk stond. Met zijn donkerbruine muren en sombere boogramen stak het af tegen de veel nieuwere villa’s die aan weerszijden het landhuis flankeerden. Sommige ramen waren dichtgetimmerd met platen triplex, wat het huis een verlaten indruk gaf. Een aantal oude eikenbomen vormden een dichte overkapping die het huis aan het zonlicht onttrok, waardoor het leek alsof het uit een andere wereld was gerukt en hier plompverloren neergezet. Tegelijkertijd straalde het een soort zelfverzekerdheid uit, als een oude, wijze man, die de wereld om hem heen is ontgroeid, maar desondanks een onwrikbaar natuurlijk overwicht blijft genieten. Last night I dreamt I went to Manderley again. De openingszin van Daphne du Mauriers Rebecca schoot als vanzelf door zijn hoofd, een jaar of dertig nadat hij het boek met tegenzin, op aandringen van zijn moeder, had gelezen. Langzaam maar zeker was hij er in weggezogen en het beeld dat zijn voorstellingsvermogen van Manderley had gevormd, stond hier levensecht op een Limburgse dijk. Het déjà-vu was zo sterk dat hij het contact met de wereld om hem heen leek te verliezen.
Het zonlicht verwarmde Serge’s huid en de bedrijvigheid om hem heen trok hem weer een stukje terug naar de werkelijkheid. Links er rechts wandelden mensen over het jaagpad, hagelwitte plezierjachten kliefden door het wateroppervlak van de rivier en uit het hoge gras aan de waterkant klonk het hoge, zijdezachte gepiep van eendenkuikens.
Plotseling sloeg Serge’s hart een slag over. Achter een van de ramen van de uitbouw stond een vrouw in Victoriaanse kledij, roerloos, met een schuin hoofd waar iets wat leek op een ouderwets, kanten hoedje op stond. Serge kon het door de spiegeling van het glas niet met zekerheid zeggen, maar het gevoel bekroop hem dat ze naar hem keek. Hij voelde zich ongemakkelijk en wendde zijn blik af, zich afvragend wat die rare oude jurk te betekenen had.
Even later keek Serge opnieuw naar boven; ze stond er nog steeds, onbewogen. Toen pas zag hij dat het niet Mrs. Danvers, maar een levensgrote pop was. Haar dode blik had iets sereens boven de met kant afgezette zwarte jurk. ‘Idioot,’ zei Serge tegen zichzelf, een beetje beschaamd om zijn eigen schrikachtigheid.
‘Idioot?’ Een stem achter hem deed Serge opnieuw schrikken. Een van de wandelaars was blijven staan. Serge draaide zich om en keek in de ogen van een vrouw van zo te zien achterin de dertig. Ze had lang, krullend rood haar en hield haar hoofd een beetje schuin, de ogen half dichtgeknepen tegen het zonlicht, wat haar oogopslag wat uitdagends gaf.
‘Sorry,’ zei Serge, ‘ik praatte in mezelf.’
De vrouw haalde haar schouders op. ‘Ben jij Serge?’ Ze stak haar hand al uit.
Serge schudde de hand en antwoordde bevestigend.
‘Mooi. Ik ben Hilde van Wylick.’ Ze wees naar de oude villa. ‘Bevalt het je?’
‘Een beetje spooky. Maar wel indrukwekkend.’
‘Kom mee,’ zei Hilde. Ze begon meteen in noordoostelijke richting te lopen, Serge volgde haar. Hij nam enkele extra grote stappen om naast haar te komen.
‘Dus jij hebt me dat bericht gestuurd? Vertel.’
‘Goed dat je gekomen bent. Dank je.’ Ze wierp hem een korte glimlach toe.
Zwijgend vervolgde ze haar weg, Serge liep naast haar, wachtend op wat ze te vertellen had. Aan hun linkerkant verrees een hoge muur, waarboven een kerk uittorende. Ongeveer halverwege werd de muur onderbroken door een brede trap, die naar het kerkhof leidde. Serge keek omhoog en zag een lange, forse man naar beneden lopen. De felle middagzon deed zijn kale hoofd schitteren. Enkele tientallen meters verder boog de muur een eind landinwaarts, alsof hij was teruggedeinsd voor de drie enorme eikenbomen die als wachters langs het pad stonden.
Hilde wenkte Serge en liep naar een poortje in de muur. Het was afgesloten met een ijzeren hek. Serge keek tussen de spijlen door en zag een heuvel met een oude burcht er op. Het bouwwerk stond in de steigers en in tegenstelling tot de gehavende muren leek het dak er gisteren op te zijn gezet. De leistenen waren egaal zwart, zonder enige vorm van verwering of mos.
‘Hoe indrukwekkend vind je dat dan?’, vroeg Hilde.
Serge knikte alleen. Hij was niet gekomen om oude gebouwen te bewonderen.
‘Mooie naam, Janiaud,’ zei Hilde uit het niets.
‘Ik heb een Franse vader, maar ben gewoon in Nederland opgegroeid.’
‘Dat weet ik,’ zei Hilde.
Serge keek haar verbaasd aan. ‘Ik was al nieuwsgierig, dat wordt er nu niet minder door.’
‘Begrijpelijk.’ Hilde sloeg haar tas over haar andere schouder, liep terug naar het jaagpad en vervolgde haar weg. Serge kwam haar achterna, ondertussen zijn schatting van haar leeftijd bijstellend naar begin veertig.
‘Wat wil je van me?’
Hilde keek naar de neuzen van haar All Stars die om beurten het voortouw namen en zweeg een ogenblik. Toen keek ze Serge aan. ‘Heb jij enig idee waar je vandaan komt?’
‘Hoe bedoel je dat?’
Ze hield haar beide handen omhoog, de binnenkant naar boven gericht, alsof hij iets heel doms vroeg. ‘Wie je voorouders zijn.’
Serge had een idee en voelde een steek. Zijn vader had zich in de jaren vijftig gedistantieerd van zijn opa, nadat hij er achter was gekomen dat die tijdens de bezetting van Frankrijk met de Duitsers had gecollaboreerd. Zowel Serge als zijn vader hadden die schaamte altijd verdrukt met de gedachte dat zij daar niets aan konden doen, maar ze waren er ook niet bepaald trots op en liepen er dus niet mee te koop. Weinigen wisten hoe erg zijn opa’s misdaden werkelijk waren geweest. Als dat ooit de geschiedenisboeken zou halen, was hun achternaam voor altijd bezoedeld. Wat wist deze vrouw daarover?
‘Mijn vader is Frans, maar dat wist je blijkbaar al. Hij kreeg ruzie met zijn ouders, heeft toen alle contact verbroken en is hier in Nederland met mijn moeder getrouwd. Meer weet ik niet.’
Hilde hoorde hem aan en knikte. Ze leek genoegen te nemen met zijn summiere antwoord. ‘Je zou er goed aan doen na te gaan wie de moeder van je opa was.’
Serge hoorde haar met stijgende verbazing aan. Ze irriteerde hem, maar tegelijkertijd groeide ook zijn nieuwsgierigheid. ‘Ik heb geen idee wie jij bent, maar je loopt me hier wel te vertellen dat ik mijn hele stamboom na moet trekken?’
Ze liepen inmiddels over een houten steiger, die de smalle oever tussen de Maas en de bijgebouwen van het kasteel overspande. Het gebonk van hun voetstappen weerkaatste tegen de oude muur.
‘Ik kan je niet zo heel veel vertellen,’ antwoordde Hilde, haar schouders ophalend.
Serge zuchtte demonstratief. ‘Ik heb twee uur in de auto gezeten om naar deze uithoek van het land te komen. Ik moet nog eens twee uur terug rijden, volgens mij verdien ik wel wat openheid van zaken.’
‘Die kan ik je niet geven. Als je ooit achter de werkelijkheid komt, zal je mijn terughoudendheid begrijpen.’
Serge stopte, draaide zich een kwart slag in haar richting en leunde tegen de houten brugleuning. De man die net de trap bij het kerkhof was afgedaald, wandelde nu enkele tientallen meters terug hun richting in. Hun blikken kruisten elkaar, waarna de man zich omdraaide en naar zijn hond floot.
‘Waarom heb je me dan helemaal hierheen laten komen? Om me te zeggen dat je me niks kunt zeggen?’ Serge ving een vleug van haar parfum op; een pijnlijk bekende lucht.
Hilde stond vlak tegenover hem, hun ogen voerden een stil gevecht. ‘Ik heb je wel degelijk wat gezegd. Als ik je alleen had gemaild dat je je voorouders moet uitzoeken, had je dat dan gedaan?’
‘Nee natuurlijk niet, maar dat ga ik nu ook niet doen.’
Hilde produceerde een triomfantelijk lachje. ‘Jawel, dat ga je wel zeker doen.’ Ze keerde zich van hem af en liep verder, de brug af. ‘Bovendien heeft jouw afkomst alles te maken met deze plek. trouwens, we moesten toch érgens afspreken.’ Opnieuw die zelfingenomen blik.
‘Ja hoor. De volgende keer my place? Kun je helemaal naar Almere komen rijden.’Serge realiseerde zich dat hij geïrriteerd klonk en dat hij daar in elk geval niet verder mee zou komen, dus besloot hij het over een andere boeg te gooien. ‘Ik begrijp je boodschap, maar het waarom niet. Wat schiet ik er mee op in mijn verleden te graven?’ Hij schopte een steentje weg, dat met een plok in het water belandde. ‘En wat is jouw belang hierbij?’ De steiger maakte een bocht naar links.
‘Toegegeven, ik heb er ook mijn belangen bij. Maar daar hoef jij je niet druk om te maken.’ Nu was het Hilde die stil bleef staan. Ze keek Serge enkele seconden doordringend aan, zonder iets te zeggen, hem in haar blik gevangen houdend. Haar felgroene ogen staken scherp af tegen het rode haar, ze kneep ze weer iets dicht. Serge merkte dat haar oogopslag hem tegen wil en dank fascineerde.
Hilde verbrak haar stilzwijgen. ‘Ga na waar je vandaan komt, Serge Janiaud. Vlooi die stamboom van je uit. Ga na waar je vandaan komt en dan zal je iets heel interessants ontdekken over de laatste adellijke familie van dit kasteel. Oh ja, en doe me één plezier.’
‘Nou?’
‘Je hebt mij nooit ontmoet.’
Ze keek hem nog een seconde of twee aan – voor een onwetende passant had het zowel flirten als uitlachen kunnen zijn – en toen draaide ze zich om. Serge was te verbluft om iets te zeggen en keek toe hoe ze linksaf een stenen trap op liep. Pas toen ze uit zijn blikveld verdwenen was, herwon hij zich en haastte hij zich haar achterna.
‘Nog één ding, Hilde!’, riep hij. Maar toen hij de hoek om was, zag hij haar nergens meer. Dat was vreemd, want ze had gewoon gelopen. Zelfs als ze meteen om de hoek was beginnen te rennen, had ze nu nog niet bovenaan die trap kunnen zijn. Serge wilde net tegen beter weten de treden op rennen, toen hij het kleine poortje in de zijwand zag. Hij stapte er onderdoor en zag een tweede, veel smallere en steilere trap omhoog gaan. Hij sprintte omhoog en kwam uit op het parkeerterrein van een restaurant, aan de voorkant van het kasteel, net op tijd om een donkerblauwe Citroën DS3 over het grind weg te zien spurten. De auto had getint glas, waardoor Serge zo gauw niet kon zien wie er achter het stuur zat, maar hij was er zeker van dat het Hilde was. Haar achterna gaan kon niet; zijn auto stond aan de andere kant van het dorp. Zou ze dat expres zo hebben bekokstoofd?, vroeg Serge zich af. Machteloos, voorovergebogen steunend met zijn handen net boven zijn knieën, keek hij toe hoe de auto de poort uit reed, het marktplein overstak en linksaf uit het zicht verdween. Hij ging weer rechtop staan en veegde met de rug van zijn hand het zweet van zijn voorhoofd.
Zijn telefoon piepte. Serge viste hem uit zijn zak en las de sms:

Doe nou maar gewoon wat ik je gezegd heb.

Hij zuchtte, schudde onbewust zijn hoofd en stopte het toestel terug.

Terug beneden, aan het einde van het smalle trappetje, botste hij bijna tegen de forse man van zo-even aan. Serge mompelde een soort verontschuldiging en keek even verbaasd naar de vreemde tatoeage die van zijn linkeroor over zijn hals naar beneden liep, maar hij was met zijn gedachten te zeer met de woorden van Hilde bezig om op te merken dat de man, die net nog naar een hond had staan fluiten, geen hond bij zich had.

 


 

2

Kessel, november 1867
Het is een stormachtige nacht. De noordwesterwind ploegt met geweld tegen de stroming van de Maas in, grote schuimkoppen en verraderlijke draaikolken veroorzakend. Af en toe komt het zilveren maanlicht tussen de wolken door, verder is het aardedonker. Het razen van de wind wordt alleen overstemd door het gefluit langs de kieren van de oude kasteelmuren. Een stuk leisteen van het dak geeft zich gewonnen aan de zwaartekracht en valt op de trappen in stukken; niemand die het opmerkt.
De meeste vensters van het kasteel zijn holle, donkere ogen. Alleen achter de ramen op de begane grond flakkert het gele, onregelmatige licht van olielampen. Binnen struint de kasteelheer onvast door de sombere vertrekken. Het gefluit en gebulder van de wind voorkomen dat zijn woedende geraas buiten te horen zou kunnen zijn, als er al iemand zo gek zou zijn om zich met dit weer buiten te begeven.
In zijn toorn laat de baron een spoor van vernielingen achter. Sommige meubelstukken worden per ongeluk omgestoten, andere zijn het slachtoffer van plotselinge geweldsuitbarstingen van baron Frederik van Keverberg van Kessel, die door zijn steeds schaarser wordende vrienden Frits en in het dorp baron Frits wordt genoemd. Zijn rijzige gestalte werpt spookachtige schaduwen op de eeuwenoude muren. In zijn rechterhand houdt hij een bijna lege whiskyfles, die hij af en toe aan zijn mond zet. Het glas waaruit Frits eerder deze avond dronk, is allang gesneuveld en ligt in scherven voor het langzaam dovende haardvuur in het hoofdverblijf.
‘Vervloekte vrouw!’, buldert Frits door de gang die naar de kelders loopt. ‘Ondankbaar wezen!’ Hij haalt uit met zijn rechtervoet en lijkt even zijn evenwicht te verliezen, maar weet dan toch de gietijzeren kandelaar te raken die de pech heeft op dit moment in zijn buurt te zijn. Het ornament klettert op de grond en de stekende pijn die in Frits’ voet begint, dringt dankzij de enorme hoeveelheid drank nauwelijks tot zijn hersenen door. Frits hervindt zijn evenwicht tegen de ruwe stenen van de muur en zet zijn vandalenronde voort.

Zijn giftige woorden bereiken de geadresseerde niet. Frits’ vrouw Louise heeft acht jaar eerder het kasteel verlaten, gevlucht voor precies dit soort uitspattingen. Twee jaar geleden is hun dochter Mathilde door Louise’s moeder van het kasteel weggehaald en sindsdien heeft baron Frits zijn enige kind amper meer gezien. Af en toe een kort briefje met de te verwachten plichtplegingen, vanuit de katholieke internaten waar Louise hun dochter heeft ondergebracht. Eerst in Roermond en later, onder een valse naam, in Düsseldorf.
‘Onder een valse naam!’ De bitterheid weerkaatst tegen de gewelven. ‘Om zich aan mij te onttrekken!’ Opnieuw klapt een kandelaar tegen de stenen vloer. ‘Alsof ik haar niet alle liefde en toewijding heb gegeven!’ Frits’ stem slaat over, houdt het midden tussen verdriet en dronkenschap. Ditmaal bereikt de pijn aan zijn voet zijn brein wel; Frits’ gezicht vertrekt en zijn tred wordt nog wat minder vast. Hij strompelt nu, steun zoekend tegen de muren. Het mag een wonder heten dat hij zonder te vallen de steile trap naar de wijnkelder weet af te dalen. De baron ontsteekt de olielamp, kijkt woest om zich heen en overweegt een fles wijn te pakken om de whisky mee weg te spoelen, maar zijn gezonde verstand krijgt de overhand. Hij zet enkele stappen, binnensmonds vloekend, en besluit een poging te ondernemen zijn slaapvertrek op te zoeken.
Terwijl hij zich omdraait raken zijn benen in de knoop en opnieuw dreigt baron Frits zijn evenwicht te verliezen. De whiskyfles valt op de vloer aan scherven en de baron klampt zich met zijn vrijgekomen rechterhand vast aan het in de muur gemetselde basreliëf van het familiewapen van Willem-Caspar van Merwijck, van wiens kleinzoon Frits’ grootvader in 1798 dit kasteel heeft geërfd. Negen hermelijnstaarten, links, aan de rechterkant het kruis uit het wapen van Willem-Caspars echtgenote Judith van Lynden en daarboven een gravenkroon. Hetzelfde wapen, maar door de weersinvloed van eeuwen vervaagd, siert sinds 1651 de toegangspoorten tot de kasteeltuin aan de Maaszijde en aan de kant van het dorp. Frits heeft overwogen het weg te laten halen, omdat het hem pijnlijk herinnert aan het feit dat het kasteel pas een halve eeuw in zijn familiebezit is. Daar is het niet beter van geworden, realiseert Frits zich maar al te vaak tijdens zijn steeds minder voorkomende nuchtere momenten. Het trotse gebouw heeft zeven eeuwen op zijn heuvel aan de Maas gestaan, aangetast door oorlog noch tijd. Maar onder de familie Keverberg, of eigenlijk onder Frits, is het verval begonnen. Sinds 1852 woont Frits er alleen – afgezien van enkele jaren met zijn vrouw en hun kind – en in die periode heeft de baron keer op keer op het verkeerde paard gewed. Jarenlange juridische strijd met de burgemeester van het dorp en conflicten met een Pruisische graaf hebben van Frits’ legale vermogen weinig meer overgelaten. In elk geval te weinig om het kasteel het onderhoud te geven dat het zo hard nodig heeft. En waarom zou Frits er nog geld in stoppen, vraagt hij zich steeds weer af. Hij heeft het verpand aan Karel, zijn oudere broer die een paar dorpen verderop in kasteel Aldenghoor zelfgenoegzaam vaders nalatenschap op zit te peuzelen, samen met hun moeder en die oude vrijster van een zus van ze. De baron heeft wel degelijk een flink vermogen achter de hand, maar daar kan hij voorlopig niets mee, gezien de manier waarop hij het heeft verworven.
Frits’ politieke carrière ligt grotendeels in duigen, zijn vrouw is weg, zijn dochter wil niets meer met hem te maken hebben en zijn kasteel is een bouwval en feitelijk eigendom van zijn broer. Van de vele hectaren grond die de baron ooit bezat, heeft hij het gros moeten verkopen. Het meest pijn deed het hem nog afstand te doen van De Weerd, een boerderij met grond aan de overkant van de Maas. De opbrengst heeft hij apart gezet voor zijn oude dag, maar nu overweegt hij er een nieuw huis van te bouwen om aan het verval en de eenzaamheid op het kasteel te ontsnappen.

Frits zakt wankelend door zijn knieën, zijn hand nog steeds steunend tegen de wapensteen. Hij reikt naar de hals van zijn fles, maar de stekende pijn doet hem realiseren dat de fles aan scherven ligt en zijn kostbare single malt tussen de voegen van de keldervloer verdwijnt. Al vloekend verliest Frits alsnog zijn evenwicht. Hij komt op zijn zitvlak terecht, zijn rug tegen een rek wijnflessen. De constructie wankelt vervaarlijk, maar blijft overeind. Zijn rechterhand stuit op een voorwerp dat onder het rek ligt. De baron trekt het tevoorschijn, het schrapende geluid van ijzer op steen weerkaatst schel tegen de gewelven. Hij kijkt even verwonderd naar het tangvormige werktuig, bedoeld om oude wijnflessen bij de hals open te snijden om te voorkomen dat er verbrokkelde kurk in komt.
Baron Frits heeft er een andere bestemming voor. Hij weet zichzelf weer overeind te krijgen, haalt uit en slaat de zware flessensnijder met kracht tegen het familiewapen van Van Merwijck. Het is een voltreffer en dat is gezien Frits’ staat een klein wonder. De wapensteen vertoont een barst en dat vat Frits op als een aanmoediging. Opnieuw haalt hij uit en met alle opgekropte woede en frustratie die hij in zich heeft slaat hij de steen aan gruzelementen.
Pas na een seconde of twee is de galm van de klap volledig verstomd. Baron Frits kijkt verwonderd naar het resultaat. Ondanks zijn eigen geestesstaat vraagt hij zich af waar hij deze kracht vandaan haalde, daarna realiseert hij zich dat het vreemd is dat de brokken steen niet op de grond voor hem liggen. Ze zijn verdwenen in een holle ruimte, op een plek waar een dichte muur zou moeten zitten. Frits laat de flessensnijder op de vloer kletteren en steekt zijn rechterarm in het gat waar zo-even nog de wapensteen uit 1651 zat.

Dan voelt hij iets dat hem in één klap bij zijn volle bewustzijn terug brengt.

Dit is een fragment uit ‘De Andere Kant van het Graf‘, een historische thriller.

Video: baron Frits Keverberg terecht?

10 september 2015 door Frank Jacobs Reageer

Na 139 jaar lijkt het mysterie van de verdwenen baron Frits van Keverberg opgelost. Wie was die markante man eigenlijk? Een videoverslag van Omroep Peel en Maas.

Terug in je kist!

25 juni 2015 door Frank Jacobs Reageer

In de jaren zeventig van de vorige eeuw speelde het kleine jongetje dat ik toen was met zijn vriendjes in en rond de ruïne van kasteel De Keverberg in Kessel, die vervallen maar trots op een helling aan de linkeroever van de Maas lag. Het kasteel intrigeerde ons, en mij in het bijzonder, gek als ik was op oude mysteries. Want legenden waren er genoeg rond De Keverberg. Zo zou er in de middeleeuwen een tunnel onder de Maas door zijn gegraven, waar door de bewoners in geval van belegering zouden kunnen ontsnappen. Waar die tunnel begon wist niemand, wij hebben heel wat uren doorgebracht op zoek naar dat archeologische enigma. Maar zo mogelijk nog intrigerender was het verhaal van Frits, de laatste baron van de familie Van Keverberg. Verlaten door vrouw en dochter sleet hij zijn laatste jaren als een verbitterd man in Kessel, waar hij het ook nog eens aan de stok kreeg met de gemeenteraad en de pastoor. Daarom wilde hij niet volgens de katholieke tradities worden begraven en liet hij testamentair vastleggen dat zijn lichaam na zijn dood ter beschikking zou worden gesteld aan de universiteit van Leiden.



Baron Frits stierf in 1876, maar zijn lichaam is nooit in Leiden aangekomen. Waar de stoffelijke resten wel zijn gebleven, is een mysterie dat me fascineerde en mij nooit losliet. Toen ik enkele maanden geleden op zoek was naar een historisch gegeven om een nieuw te schrijven roman op te baseren, kwam ik dan ook al gauw uit op de legende van baron Frits. Langzaam maar zeker ontspon zich een denkbeeldige intrige rond het waargebeurde gegeven van het verdwenen graf. En wat gebeurt er vandaag? Na bijna anderhalve eeuw, uitgerekend nu ik er een verhaal omheen schrijf, komt baron Frits weer boven. Vanmiddag, tijdens werkzaamheden in de kasteeltuin, stuitte een kraanmachinist op de met lood beklede grafkist met de beenderen van van wat naar alle waarschijnlijkheid baron Frits is.
Mijn hele verhaal drijft op het gegeven dat Frits’ graf onvindbaar is. Baron, je wordt bedankt. Terug in je kist!

Over Frank Jacobs

Frank Jacobs (1966) is crossmediaal en multimediaal journalist en schrijft, fotografeert en filmt voor onder meer AutoWeek, NU.nl, Quest Historie, GTO Magazine en Lifestyle Almere. Daarnaast presenteert hij autoprogramma’s op AutoWeek TV en voorheen Discovery Channel.

Hij studeerde automobiel management en Frans en woonde en werkte jarenlang afwisselend in Frankrijk, Engeland, Duitsland en Spanje.

Lees meer over Frank Jacobs.

Zoeken

  • Why Nuclear Energy is a Very Bad Idea
  • Waarom de flitsmarathon onzin en bangmakerij is
Copyright 2015 | Frank Jacobs | KvK Almere 62518755