Frank Jacobs (1966) is journalist en schrijft voor onder meer AutoWeek, GTO en het AD. Daarnaast presenteert hij autoprogramma’s op AutoWeek TV en Discovery Channel. Hij studeerde automobiel management en Frans en woonde en werkte jarenlang afwisselend in Frankrijk, Engeland, Duitsland en Spanje. In het verleden was hij muziekproducer, animateur op Franse campings, importeur en product manager van tuingereedschappen, vrachtwagenverkoper, bedrijfsadviseur en onderzoeksjournalist. Begin deze eeuw haalde hij het bloed onder de nagels van justitie vandaan met de provocerende website Tuftufclub.com. Afgelopen jaar schreef hij zijn eerste roman Afval, over het soms komische, maar meestal tragische leven met iemand met de persoonlijkheidsstoornis borderline.

Share Button

Verslag vanuit Sodom en Gomorra:

Reportage grenspomphouders:

IJsrijden met de VW Golf R:

Hannibals oversteek overgedaan:

Porsche Boxster GTS:

Interview Peter Falk Porsche:

McLaren SLR Stirling Moss:

Op de Noordkaap met een oude Volvo:

Elfstedentocht met meer dan duizend pk:

 

Share Button

Ferrari 250 GTO Lusso:

Spyker factory:

Tractor pulling:

The world’s fastest camper van:

Rinspeed:

Paris Motor Show 2008:

BMW 7-serie introduction:

 

Share Button

Meet the Neighbours with Jeremy Clarkson:

Kopspijkers:

RTL Boulevard:

Compilatie:

Share Button

Afval (synopsis)

Mark Kerkhofs zoekt na zijn scheiding afleiding in een onstuimige relatie met een op het eerste oog onweerstaanbare buurvrouw en alleenstaande moeder. De eerste tijd is het leven met haar één groot feest, maar net als Mark echte gevoelens voor Rachel krijgt, begint ze weg te zakken in buitensporig drankgebruik. Mark wil haar van de alcohol af helpen, maar mist alle signalen die op iets nog veel ernstigers wijzen. In zijn strijd Rachel droog te leggen, voor haarzelf en vooral voor haar baby, merkt Mark niet dat hij steeds verder verstrikt raakt in een web van borderline, een zware persoonlijkheidsstoornis. Leugens, bedrog, diefstal, ziekelijke obsessies, cocaïne en louche types sluipen ongemerkt zijn leven in. Als hij zich eindelijk realiseert dat hij in een gekkenhuis is beland en dat de baby in levensgevaar verkeert, is Mark er te ver in meegezogen om zijn handen er zomaar vanaf te trekken. Even lijkt hem dat toch te lukken, maar dan blijkt dat een borderliner zich niet zomaar aan de kant laat zetten..

Afval is gebaseerd op een waargebeurd verhaal. De auteur heeft het aan de hand van vele gesprekken met de betrokkenen, maar ook met andere slachtoffers en deskundigen, verwerkt tot een hard ironische, gitzwarte roman. Het ene moment een tragische komedie, dan weer een komische tragedie, die op een indringende wijze vertelt hoe een moeder zichzelf en haar pasgeboren kind de vernieling in werkt.

Share Button

Afval (proloog)

Politiesirenes snijden plakken van mijn droom. Mijn ogen schieten open, maar al wat ik zie is het blauwe schijnsel van de zwaailichten dat over het plafond van mijn slaapkamer veegt. Ik kijk naar links; de rood oplichtende cijfers van mijn wekker vertellen me dat het 4:13 in de ochtend is. Maar wat niemand mij hoeft te vertellen is dat het drama, vijftien verdiepingen onder mij, om haar draait. Dat weet ik instinctief. Dat dit een keer zou gebeuren, heb ik al die tijd eigenlijk wel geweten. Alleen naar het moment en de manier waarop had ik hoeven gissen. Zo dus. Nu dus. Alhoewel, hoe lang zal ze daar beneden hebben gelegen voordat iemand haar vond en 112 belde? Rond dit tijdstip midden in de week is er zelden iemand op straat hier. Aan de andere kant, het moet een aardige klap hebben gegeven. Hoe klinkt dat eigenlijk, een mensenlichaam dat van tien hoog op de grond dreunt? Het is maar goed dat ze lager woont dan ik. Anders was ze mijn slaapkamerraam voorbij gevlogen, en had ik daar dwars doorheen geslapen. Ironisch. En plotseling schrik ik van mijn eigen cynisme. Een fractie van een seconde vrees ik dat ze Gilles mee heeft genomen in haar sprong naar de dood. Het zou niet zijn eerste val zijn geweest, Rachel heeft hem wel vaker uit haar dronken klauwen laten kletteren, maar toen was ik er bij om hem op te vangen. En was de val een metertje of dertig minder diep.
Opnieuw een naderende sirene, ditmaal van een ambulance. Lekker, zo’n kloddertje mosterd na de maaltijd; de patiënte ligt als een reusachtige pizza calzone langzaam koud te worden in een steeds groter wordende plas van haar eigen bloed. De politie zal wel een wit scherm om haar heen zetten, om de eerste honduitlaters te behoeden voor dit onverkwikkelijke tafereeltje. De ambulancesirene zwelt aan en verstomt vlak onder mij. Het geluid van open en dicht slaande autoportieren. Het statische gekraak en harde bliepjes van de mobilofoons weerkaatst op het wateroppervlak van de Olstgracht, wat een merkwaardige akoestiek geeft. Zullen ze haar nog een tijdje laten liggen voor forensisch onderzoek, of gaat ze meteen mee in een lijkzak? De doodsoorzaak lijkt me nogal duidelijk. Aan de andere kant zal de politie vast aan de mogelijkheid denken dat ze niet uit zichzelf is gesprongen. Zij kennen haar tenslotte niet zoals ik dat doe. En wie is dan verdachte nummer een?
Godverdomme.
Ze gaan navraag doen in de flat, en alle vingers zullen naar mij wijzen. Niet dat we, of ik in elk geval, ooit enige ruchtbaarheid hebben gegeven aan onze knetterende breuk van toen. Maar twee jaar geleden, lang voordat daar überhaupt sprake van was, deden wij het in het geruchtencircuit al lang en breed met elkaar. Mensen die zelf te weinig meemaken, verzinnen hele soaps rond anderen. Wij waren toen een voor de hand liggend onderwerp.
Opnieuw schiet Gilles door mijn hoofd. Heeft ze hem meegenomen, of dribbelt hij nu door haar woonkamer op de tiende verdieping richting het openstaande raam waar zijn moeder door is verdwenen? Is een kind van tweeënhalf in staat door dat raam naar buiten te klimmen? Op zoek naar mama? Toen ik hem voor het laatst zag beslist niet, maar dat is al weer lang geleden. Ik moet als de sodemieter naar beneden. Haar sleutel heb ik allang niet meer, maar de politie kan haar voordeur forceren. Maak ik mezelf dan verdacht? Flauwekul, dat ben ik toch al. Verdacht met een hoofdletter V. Het zal me verbazen als ik de zon deze ochtend vanuit mijn eigen huis op zie komen. Als ze me niet meteen op komen halen, doen ze dat zodra ze op Rachels computer de talloze haatmails aantreffen die ze mij na onze laatste ruzie stuurde. Godzijdank heb ik me nooit tot haar niveau verlaagd en heb ik haar eerst in redelijke bewoordingen, en later helemaal niet meer geantwoord.
Hier en daar hoor ik ramen open schuiven. Ergens, enkele verdiepingen onder mij, gilt een vrouw. Blijkbaar heeft de politie het aanzicht van bovenaf nog niet afgeschermd. De natriumverlichting op het plein beneden is krachtig genoeg om Rachels identiteit prijs te geven, dus de verhalen kunnen beginnen. Zijn mijn buren in staat om te geloven dat ik haar de diepte in geholpen heb? Ik kan het me nauwelijks voorstellen, maar ik heb vorig jaar wel meer ranzige verzinsels over Rachel en mij gehoord.
De gilmevrouw van beneden is begonnen te huilen. De eerste buren zullen nu wel buiten staan, in ochtendjas en op vluchtig aan geschoten schoenen, kleumend in de vroege aprilkou. Die kunnen de politie ook wel vertellen dat er nog ergens een klein kind moet zijn. Ik verbaas me over mijn eigen kilheid. Nog maar twintig maanden geleden lag ze hier naast me. Warm, zacht en opgerold, rustig ademend. Nu ligt ze vijftien verdiepingen lager op de hardhouten steiger. Koud, verbrijzeld en stuk.
En ik?
Ik voel een vreemd soort opluchting. Kutwijf. You’re not my problem anymore. Zelfs voor haar kind kan ik op dat moment weinig empathie opbrengen, alsof ik onbewust haar gif op hem heb geprojecteerd. Kutkind. De enige bezorgdheid die ik voel is een rationele, een soort burgerlijk plichtsbesef.
Dan hoor ik ze, de onvermijdelijke voetstappen op de gang. De liftdeuren schuiven dicht, gedempte stemmen, opnieuw statisch gekraak, nu dichterbij.
Ze komen naar mijn voordeur.
De bel klinkt oorverdovend door de nachtelijke duisternis van mijn appartement. Ik sta op, pak mijn badjas van de stoel, sla hem om en strompel naar de overloop om de deur open te doen.

Afval is ook op Facebook: Klik hier.

Share Button

Afval (fragment uit hoofdstuk 8)

De prachtige lente van 2012 ging naadloos over in de hete zomer en op weer zo’n prachtige avond zaten we in mijn serre. Gilles sliep zijn slaapje in zijn wagen in de woonkamer, wij luisterden naar Youssour N’dour en legden net de laatste hand aan onze tweede fles wijn.
‘We drinken nogal veel, hè?’ Rachel keek me ietwat lodderig aan en drukte haar Marlboro Medium in de asbak uit.
Toevallig was ik er een tijdje terug op gaan letten en daarom wist ik dat Rachel zichzelf ongeveer tweemaal zo vaak bijschonk als mij. Op dat moment wist ik nog niet dat dezelfde hoeveelheid alcohol op een kilo vrouwenlichaam het dubbele effect heeft, dus dat ze effectief viermaal mijn hoeveelheid weg klokte; er vanuit gaande dat ze hetzelfde woog als ik, wat ze niet deed. Daarom kon ik haar alleen maar gelijk geven. Toch probeerde ik het nog te bagatelliseren.
‘Ach, we zijn Bourgondiërs en ons leven is één groot feest.’
Rachel keek stuurs voor zich uit. Zou ze ongesteld zijn (wat Rachel haar “vrouwendagen” noemde), dacht ik. Ik gooide het over een andere boeg: ‘Maar als je ermee wilt stoppen, mij heb je mee. Ik ga een pot thee zetten.’ Ik maakte aanstalten om op te staan.
Rachel reageerde als door een wesp gestoken. ‘Nee, dat gaat zomaar niet. Ik moet er me wel geestelijk op voorbereiden.’
Dat had mijn eerste waarschuwing moeten zijn, maar ik was nog steeds naïef. ‘Wat jij wilt. Zeg het maar.’
Rachel hield haar inmiddels lege glas uitnodigend in de lucht. Ik begreep haar hint en liep naar de koelkast om fles drie te ontkurken, heel zachtjes, om Gilles niet wakker te maken.
‘We moeten een datum plannen, zodat ik er naartoe kan leven,’ zei Rachel, terwijl ik haar glas bijvulde. Ze stak een nieuwe sigaret op en de blauwe rook vormde een wolk rond haar hoofd. Het was vreemd, bedacht ik me, dat ze zich constant zorgen maakte over de aanwezigheid van genetisch gemanipuleerde grondstoffen in de babyvoeding die ze Gilles gaf, terwijl ze zonder merkbare bedenkingen elke avond opnieuw de woonkamer waarin hij lag te slapen blauw zette van de nicotine. Dat hij gif inademde, vond Rachel blijkbaar acceptabel. Maar zodra Gilles binnen was, moest de trancemuziek die ik meestal op had staan meteen uit, omdat de psychedelische klanken zijn geestelijke ontwikkeling wel eens negatief zouden kunnen beïnvloeden. Rachel geloofde dat kinderen daar ADHD van krijgen, maar dat ze van rokende ouders astmatisch kunnen worden, leek ze onzin te vinden. Maar goed, op dat moment was ik nog steeds naïef genoeg om te geloven dat ik Rachel met gezonde logica kon doorgronden.
‘Doe maar een voorstel.’
Rachel liet de wijn in haar glas ronddraaien, keek er aandachtig naar en liet een korte stilte vallen.
‘Vandaag over een week.’ Ze onderbrak de studie van haar drankje en keek me met gefronste wenkbrauwen aan. Die blik begon ik te kennen, maar plaatsen kon ik hem nog niet. Alsof er een nevel tussen mij en haar bewustzijn hing.
‘Wat voor dag is het vandaag ook al weer?’
‘Dinsdag. Dinsdag 5 juni,’ gokte ik en ik ontgrendelde mijn iPhone om het te checken. Het klopte.
Rachel had de aandacht van haar wijn naar de gloeikegel van haar sigaret verplaatst. Die was zo dicht bij haar gezicht dat ze een beetje scheel keek. ‘Dinsdag 12 juni zijn we alcoholvrij,’ prevelde ze plechtig.

Share Button

Afval (fragment uit hoofdstuk 15)

(..) Ondanks haar benevelde brein ontgingen de diepe bassen van de overkant van het Weerwater haar niet. Het Freefestival draaide warm en Rachel had er zin in. Ik had eerder in de week kaarten proberen te krijgen, maar het was volledig uitverkocht. Rachel had daar toen teleurgesteld in berust, maar wanneer ze in een staat was zoals nu, stond berusten niet op haar repertoire.
‘We moeten nog even oppas zien te regelen voordat we naar het festival gaan,’ lodderde ze.
‘Het is uitverkocht, Rach.’
‘Flauwekul. Het is gratis. Hoe kan iets dat gratis is uitverkocht zijn?’
‘De kaarten zijn gratis. Maar ze werken alleen met kaarten, dat heeft met veiligheidsvoorschriften te maken. Er mogen niet meer dan zoveel mensen binnen van de brandweer.’
‘Wat maken wij tweeën dan nog uit op zo’n menigte. En jij kent toch belangrijke mensen in de stad?’ Was ze in haar strijd tegen de drank maar zo volhardend.
‘Vol is vol, Rachel.’
Ze keek me aan alsof ze net een slok azijn had binnengekregen, in plaats van wijn. ‘Gatver, je klinkt net als die griezel Wilders.’
‘Fortuyn heeft dat gezegd, Rach.’ Een zurige poeplucht begon bezit te nemen van de kamer, dus ik plukte Gilles van de vloer en liep met hem naar zijn kamertje om hem te verschonen. Hij had er flink werk van gemaakt en ik was wel even bezig. In de woonkamer hoorde ik Rachel praten, maar verstaan kon ik haar niet. Toen ik terugkwam, stond ze beteuterd naar haar telefoon te kijken.
‘Harald en Mirjam kunnen niet. En die meiden van de elfde ook niet.’
Ik wilde haar net vragen wat ze bedoelde, maar voordat ik dat kon doen, drong het antwoord tot me door. ‘Rachel, ga nou niemand meer bellen. Je klinkt wat vreemd. En het is zo zinloos, we komen toch niet binnen. Dat heb ik je net toch al uitgelegd?’
‘Oh nee?’ Haar ingehouden frustratie begon plaats te maken voor onverhulde woede tegen mij, voelde ik. ‘Ben jij nou een vent?’ Ze verhief haar stem. ‘Een echte man zorgt dat zijn vrouw krijgt wat ze wilt. Jij bent een opgever!’ Ze snoof demonstratief, maar verslikte zich en kreeg een hoestbui. ‘Ik regel het zelf wel.’
Ze stapte in haar teenslippers, stampte de overloop op en knalde met veel geweld de voordeur achter zich dicht. Gilles schrok en zette het op een schreeuwen. Ik pakte hem op uit de box en probeerde hem te sussen, terwijl ik me afvroeg wat Rachel dacht te kunnen gaan regelen.
Het antwoord kwam een kwartier later, in de vorm van Rachel zelf, die weer een beetje leek te zijn afgekoeld. ‘Ik ben even bij Jules geweest.’
Jules, uitgesproken als “Sjuul”, was een ras-Amsterdammer die met vrouw en zoon in onze flat woonde en aan de overkant van de straat een snackbar exploiteerde. ‘Die zit tenslotte in de horeca.’
Ondanks de gespannen situatie kon ik een lach amper onderdrukken. Mijn cynisme had ik niet meer onder controle, maar ze was toch te ver heen om dat te proeven, vermoedde ik. ‘Dat is waar ook, hij zit in de horeca, dan moet Jules wel kunnen regelen dat we binnenkomen.’
Rachel keek me aan alsof ik een halve zool was. ‘Nee. Maar zijn zoon gaat er wel heen, dus misschien weet die het.’ Ze schopte driftig de slippers van haar voeten, waarbij ze op een haar na haar evenwicht verloor. ‘Maar hij was er niet.’
Ze slofte naar het kookeiland en sloeg de rest van haar glas wijn achterover. ‘Als hij iets weet, komt hij even langs.’ Kijk, aan het eind van elke tunnel is licht. ‘En anders kijk ik iemand van de bewaking wel lief aan.’ Ze fakete haar beroemde glimlach, maar miste de gebruikelijke uitstraling. Ik moest vanbinnen lachen. Geen enkele beveiligingsmedewerker die zijn werk serieus neemt, zou iemand in haar huidige staat binnenlaten, al had ze honderd VIP-kaarten, een aanbeveling van Maxima en een doorgeladen Kalashnikov onder haar arm.
Het weer was ten opzichte van de dag ervoor volledig omgeslagen. De lucht was onheilspellend donker en het regende al zeker een uur. Ineens schoot mij de ideale oplossing voor deze verrekte rotsituatie te binnen. Alleen al omdat Rachel hard toe was aan een verfrissende regenbui op haar driftige, dronken kop.
‘Ik heb een idee.’
Rachel stond te prutsen met haar vrijwel lege aansteker, maar hield daar meteen mee op om mij aandachtig aan te kijken. ‘Nou?’
‘We gaan er met z’n drieën naartoe. Te voet, ik kan wel wat frisse lucht gebruiken. En jij ook.’ Een vuile blik was mijn deel. ‘Jij probeert jezelf binnen te lullen, en als dat je werkelijk lukt, wat je zelf gelooft, blijf jij lekker feest vieren en wandel ik met Gilles terug. Dan heb je meteen oppas. Je mag thuiskomen zo laat als je wilt.’
Rachel gooide de aansteker en sigaret op het aanrecht en zette haar handen in haar zij, met die voor haar zo kenmerkende, scheve en wankele houding, en keek me door tot spleetjes geknepen ogen een moment aan, alsof ze mijn oprechtheid taxeerde. ‘Deal.’
Na het middagslaapje van Gilles en het ochtendroes-uitslapen van Rachel vertrok de karavaan ellende richting het festivalterrein, een wandeling van een kilometer of twee langs de westoever van het meer. Het weer was nog net zo somber als die ochtend, maar Rachel was haar boosheid volledig vergeten. Elke paar meter hield ze stil en begon ze me, midden op straat, vol op de mond te tongzoenen, als een puber achter het fietsenhok. Hoewel onze verhouding inmiddels geen geheim meer was, vond ik het toch een beetje gênant om vrijwel onder het raam van onze halve flat zo over straat te gaan. Maar Rachels libido borrelde weer als een IJslandse geiser.
We waren op zo’n driekwart van het traject toen dezelfde onverlaat als de dag ervoor in de machinekamer van Rachel de stabilisatoren uitschakelde. Ze liep een paar meter voor me uit, en van het ene op het andere moment begon ze te slingeren. Ik versnelde mijn tempo en liep op haar in, de kinderwagen voor me uit duwend, en pakte haar bij haar arm.
‘Rachel, je waggelt weer.’
Ze keek me vragend aan, haar gezicht zag eruit of het van was was en net even te lang in de warme zon had gestaan. Dat kwam niet alleen doordat het nat was. ‘Ik ben een beetje aangeschoten, denk ik.’
‘Een beetje ja. We lopen terug naar huis. Hou je goed aan mijn arm vast en probeer stabiel te blijven. De hele flat ziet ons zo meteen lopen en het zou doodzonde zijn als het stempel alcoholist opgedrukt krijgt, uitgerekend de laatste dag dat je nog drinkt.’
‘Morgen drinken we helemaal niks meer. Rotwijn.’ Ze klemde zich aan mijn bovenarm vast en druipend van de regen sjokten we terug naar huis, waar ze net als de dag ervoor op mijn bed plofte en als een blok in slaap viel. En net als de dag ervoor sliep ze een paar uur lang haar roes uit, terwijl ik Gilles onder mijn hoede had.
De avond brachten we in haar appartement door en daar dronk Rachel haar zwanendronk. (..)

Share Button

Afval (diverse fragmenten)

(..) We waren net begonnen met eten toen Rachel opstond, de keuken in liep en weer terugkwam met een wijnglas. Ze ging weer zitten, pakte de fles en schonk zichzelf een stevige bel in. Ik zei niks, maar er moet iets op mijn gezicht af te lezen zijn geweest, want Rachel keek me een ogenblik aan en verontschuldigde zich meteen. ‘Dat is mijn eerste glas sinds ik zwanger ben hoor.’ Ik haalde mijn schouders op en ging er verder niet op in.
‘Rottig om te horen van jou en Frédérique,’ leidde Ilse de aandacht van Rachels wijn af. ‘Maar eerlijk gezegd vond ik jullie altijd al voor geen meter bij elkaar passen.’ Ze spoelde haar woorden weg met een flinke teug wijn.
‘Is dat zo?’ pareerde ik haar opmerking. Ze moest eens weten. Ilse was een tijdje geleden haar baan kwijtgeraakt. Sindsdien zwierf ze een groot deel van haar tijd door de flat, met onder haar ene arm haar ziel en onder de andere een fles wijn, op zoek naar gezelschap. Het was haar observerend vermogen waarschijnlijk niet ten goede gekomen (..)

++++++++++++++++++++++

(..) Rachel sloeg haar ogen neer. ‘Op een dag heb ik een mes gepakt en mezelf overal opengesneden. Ik ben in de lift gaan zitten. Als de schoonmaker me daar niet had gevonden, was ik doodgebloed.’ Ik kende Rachels lichaam inmiddels redelijk, maar had, op een litteken op haar knie na, geen sporen ontdekt die een dergelijke zelfverminking hadden moeten achterlaten. Ze hees zich van haar barkruk en strompelde richting de koelkast. Die haalde ze, maar niet zonder haar wijnglas op de plavuizen kapot te laten vallen. Het brekende glas sneed door de stilte van de late avond. Ik verwachtte dat Gilles wakker zou worden daarvan, maar de babyfoon bleef stil, op het vertraagde geluid van Rachels versplinterende glas na. Door de babyfoon klonk het als het geritsel van papier. Rachel zocht steun aan de handgreep van haar koelkast en keek wat bevreemd naar de rotzooi aan haar voeten. Ik ook, en zag toen pas dat ze blootsvoets was (..)

++++++++++++++++++++++

(..) Ik keek om en porde Gilles even op zijn buik; hij begon te grinniken. Ik vroeg me af of hij Grote Groene Giraffe miste. Al zijn hele korte leven lang zijn lievelingsknuffel, maar gisteren had Rachel hem afgenomen en in de container gegooid. ‘Dat lelijke ding heeft een slechte invloed op hem en hij is er toch op uitgekeken,’ had ze voor hem besloten. Wat Rachel niet wist, was dat ik Giraffe daarna weer tussen het vuilnis vandaan had gevist, in de wasmachine had gedaan en achter in mijn dressoirkast had verstopt. Om hem aan Gilles terug te kunnen geven als Rachel ooit tot de ontdekking zou komen dat pluche giraffen geen slechte invloed op kinderen kunnen hebben (..)

Meer fragmenten uit Afval

Share Button

De Rode Horizon (fragment)

Het kon niet, maar ze stond aan de overkant. Ik hoorde het klotsen van het water, het geruis van de veerboot in zijn strijd met de stroming van de rivier, het geritsel van de bladeren in de bomen langs het jaagpad achter me; ik hoorde, maar luisterde niet.
Mijn arm leek honderden kilo’s te wegen. Ik wilde zwaaien, en of ze terug zou zwaaien was iets waarvan werelden af leken te hangen. De angst dat ze niet zou zwaaien, dat de veerman misschien zou zwaaien omdat ik hem wel bedoeld moest hebben, die angst was ondraaglijk. Waarom wist ik zo zeker dat ze, wanneer ik mijn ogen een moment zou sluiten, het volgend moment weg zou zijn? Gisteren om dezelfde tijd had ik hier ook over de watermassa uitgekeken en had haar met open ogen niet gezien. Toen had ik nog mijn ogen moeten sluiten om haar gestalte weer te aanschouwen. Zwaaien durfde ik niet, ik durfde nauwelijks te kijken en de brede rivier tussen ons leek onneembaar. De eerste brug was zo’n twintig kilometer stroomafwaarts en de pont nemen wilde ik niet. De reden wist ik niet; het leek me eenvoudig verkeerd me op dit moment door de pont te laten overzetten. De veerman moest oevers verbinden, dat was zijn taak, niet het bij elkaar brengen van mensen die elkaar al zo lang niet meer gezien hadden. Instinctief wist ik dat elke inmenging van een vreemde de ervaring als een zeepbel uiteen zou doen spatten. Bovendien leek het erop dat de veerman mij niet kon zien. Even tevoren, terwijl ik haar had ontdekt, had ik bij de oprit van de veerpont gestaan en de veerman had mij geen blik waardig gegund terwijl hij de ketting met een luid gerinkel los had gegooid. Sterker nog, met een lege boot had hij de oversteek ingezet zonder mij te vragen of ik misschien naar de overkant wilde.
Ze keek naar mijn oever, mijn richting uit, maar ze keek niet naar mij. Dat kon ik niet zien met zo’n tweehonderd meter zware novemberlucht tussen ons in, maar ik wist het. Vaag herkende ik de donkerpaarse broek en het witte t-shirt die ze tijdens onze eerste ontmoeting had gedragen. Het had me tot de werkelijkheid terug moeten doen schrikken, maar het gaf me op dat moment een kriebelend gevoel in mijn buik, alsof ik die eerste vonk van zovele jaren geleden opnieuw beleefde. Afwezig vroeg ik me af waarom ze niets warmers had aangetrokken. Onze eerste ontmoeting was op een zomermiddag geweest, dit was een ijzige herfstregen aan een Hollandse rivieroever, een onvoorstelbare afstand in plaats en tijd verwijderd. Toen hadden we tot laat in de avond dicht bij elkaar gezeten. Ik had haar bang proberen te maken met spookverhalen die als vanzelf in mij opkwamen die nacht, en ze was behoorlijk bang geweest.
Nu, aan de andere, grijze kant van deze tijdspiegel was ik degene die huiverde. Het beeld dat ik van haar zag klopte niet, er klopte helemaal niets van en dat ging veel verder dan het feit dat ze er niet op gekleed was. Alleen al het decor deed de werkelijkheid geweld aan.
Ik wist dat ik op bekend terrein was: het huis uit mijn kinderjaren lag niet zo ver achter mij, hoog en trots op de dijk, uitkijkend over de rivier. Het gerinkel van de ketting waarlangs het pontje liep had het kind dat ik ooit geweest was avond aan avond in slaap gezongen. In de struiken langs het jaagpad had ik met vriendjes mijn eerste sigaret gerookt en mijn middageten er bijna bij uitgekotst, over het jaagpad hadden we wedstrijden gereden met onze fietsen, waarbij ik vrijwel altijd de laatste was geworden. Verderop aan het pad, daar waar een brede trap tussen de twee begraafplaatsen door naar de dorpskerk liep, was ik ooit in elkaar geslagen door een klootzakje, omdat ik tijdens de gymles op de katholieke jongensschool een potje voetbal in ons nadeel had beslist door mijn lomp gedoe.
Met een lange bamboestok uit mijn speelgoedwigwam waaraan we een stuk varkenstouw en een tot haak gebogen paperclip met gekneed brood hadden gehangen, probeerden we op zondagmiddagen urenlang karpers te vangen, onszelf vreselijk moedig voelend omdat we dit zonder visvergunning deden. Tot mijn schaamte moet ik toegeven dat we nimmer beet hebben gehad, mijn vriend noch ik. Het enige dat hij ooit ving waren dropstaven bij de gezusters Nieskens, twee oude dametjes die een piepklein sigarenwinkeltje aan het kerkplein dreven. Met een uit zijn moeders portemonnee gestolen gulden kocht hij zoete rotzooi waarvan hij wist dat het ver onder de toonbank lag. Als de dienstdoende zuster dan bukte met haar oude, door reuma aangevreten lijf, greep Sjaak om zich heen en stopte de meest uiteenlopende handelswaar onder zijn jas. Als kind had ik altijd een onvoorstelbaar ontzag voor zijn moed. Het enige wat hij nooit mee gapte was de gratis handelswaar waarmee de gezusters verreweg de meeste klanten aantrokken; actuele dorpsroddel.
Het decor op zich klopte, alhoewel ik zo’n vermoeden had dat ik, wanneer ik het winkeltje tegenover de kerk binnen zou stappen, de gezusters zou kunnen begroeten. Terwijl ze, als je even logisch rekende, al jaren zo’n vijftig meter verderop op het kerkhof zouden moeten liggen. Echter, het decor en Dawn konden elkaar niet kennen. Ik was dertien toen ik het dorp voor de laatste keer zag, ik was zesentwintig toen ik Dawn voor de eerste keer zag en ik had beiden nooit aan elkaar voorgesteld. Het waren twee werelden, zo ver van elkaar verwijderd dat het idee alleen al absurd zou zijn geweest.
De dimensies leken evenmin te kloppen. Ik wist dat de rivier hier behoorlijk breed was. Ik had de reusachtige rijnaken vanuit mijn slaapkamerraam als speelgoedbootjes bekeken, en later stak ik de rivier vaak over in mijn zelf opgeknapte oude houten kano, zodat ik wist dat het een verdomd eind was van oever naar oever. Toch kon ik Dawns gestalte vrij groot zien, groter dan normaal zou zijn geweest op die afstand. Ik hoopte dat niet een of andere idioot die zijn hond uitliet op dat moment aan de overkant aan haar voorbij zou gaan lopen. Dat zou dingen dermate uit hun samenhang stoten, dat het beeld waarschijnlijk uit elkaar zou klappen. Dat zou me op dat moment ongetwijfeld gek hebben gemaakt. Dawn stond daar als een holografische projectie, het licht op haar lichaam was intensiever dan het licht op de bomen achter haar. Dat beangstigde me.
Ik staarde nog steeds strak in haar richting en vroeg me af wat ze in mijn dorp wilde, toen ik het diepe gedreun rechts van me gewaar werd. Langzaam zwol het aan, het overstemde steeds meer het gerinkel van de veerpont, een geluid dat ik door vele jaren gewenning nauwelijks meer bewust hoorde. Ik herkende het geluid vrijwel meteen, ik hoefde mijn blik niet van Dawn los te trekken. Het gedonder had ons altijd gealarmeerd als we met de kano, of nog erger, zonder de boot zwemmend op de rivier waren. Het was de zware cadans van de dieselmotoren van een grote rijnaak, die uit het zuiden kwam, stroomafwaarts varend op weg naar een nieuwe lading in de Rotterdamse zeehaven. Sjaaks vader had ons op een winteravond bij het haardvuur op plastische wijze beschreven wat er met kinderen gebeurde wanneer ze door de schroef van zo’n schip werden gegrepen en hij had daarmee zijn doel bijna volledig bereikt: we waren bang voor die dingen, nog banger dan voorheen, toen we alleen onder de indruk waren geweest van de gigantische zwarte staalwand die je vanuit het water kon zien. Voor de volledigheid moet ik zeggen dat Sjaak, waarschijnlijk mede aangestoken door die opgedrongen angst, later meerdere malen indruk op ons allemaal wist te maken door onder zo’n voorbij varend vrachtschip door te zwemmen. Dat ik dat, ook na zijn uitdaging, niet aandurfde, had tot gevolg dat hij me god weet hoe lang daarna voor mietje heeft uitgemaakt. Bijna twintig jaar later liet ik me op een kermisterrein in Zuid-Frankrijk door een aantal vrienden opjutten tot bungee jumping en ik weet, nu ik erover nadenk, zeker dat die twee dingen absoluut met elkaar te maken hebben.
Dit keer geen angst voor de zwarte staalwand, dit keer geen angst voor de vleesmolen die schroef heette, dit keer geen angst overvaren te worden. De angst die ik nu voelde was vele malen groter. Over enkele minuten zou de zwarte kolos mij mijn uitzicht op Dawn ontnemen en ik wist zeker dat, wanneer dat rotding weer voorbij gegleden was, ze er niet meer zou staan. Dat zou ik mezelf nooit vergeven; ik moest iets ondernemen.
De pont was intussen aan de overkant aangekomen en de veerman trok de stalen pin uit het contragewicht, waardoor de oprijklep met een diep gerommel op het aflopende wegdek viel. De afstand maakte dat het geluid na het beeld kwam, als een slecht nagesynchroniseerde film. ik zag dit alles vaag in mijn ooghoeken, nog steeds niet in staat mijn blik van haar los te scheuren. Impulsief zette ik een stap naar voren, dertig centimeter dichter bij haar. Mijn schoenen waren niet waterdicht en vrijwel onmiddellijk drong het koude rivierwater door tot mijn voeten. Mijn lijf schokte een ogenblik in een poging het evenwicht niet te verliezen; de stenen waren verduveld glad.
Misschien was het juist dat wat de magie verbrak. Zonder er een ogenblik bij na te denken hief ik mijn linkerarm op, en ditmaal lukte het ook. Ik zwaaide godverdomme naar haar, uitbundig en ongeremd, niet alleen mijn hand maar heel mijn arm, heel mijn lichaam schudde mee. Ik geloofde niet dat ze me al zag, ze liet het in elk geval niet direct merken, maar ze leek op één of andere manier echter te zijn geworden, alsof het spookbeeld dat ze eigenlijk was, beetje bij beetje overging in de werkelijkheid, wat die dan ook mocht zijn.
Het gedreun van de rijnaak was intussen aangezwollen tot een infernaal gedonder en het stalen lichaam van de zwarte kolos bewoog in mijn rechter ooghoek als een verschuivende blinde vlek. Nog even en Dawn zou uit mijn blikveld verdwijnen, voor altijd ditmaal. Wanhopig probeerde ik mezelf ervan te overtuigen dat ik droomde, dat ik me hier stond op te fokken over een illusie die veel weg had van een smakeloze grap, dat terugverlangen naar haar al die jaren sinds ze weggegaan was slechts dan gebeurde wanneer het even wat minder met me ging. Ik zette nog een stap naar voren, alsof dat het schip tegen kon houden. Het enige dat ik ermee bereikte was dat de fysieke afstand tussen haar en mij met nog eens dertig centimeter verkort werd, een druppel in de oceaan op die afstand. Het water stond me intussen tot halverwege mijn scheenbeen. De bodem loopt snel af hier.
Ik wist, waarschijnlijk geholpen door het ijskoude water, me terug tot de werkelijkheid te rukken en ik hief mijn linkerbeen op om terug op de oever te stappen. En op dat vervloekte moment keek ze me aan. Ze keek me godverdomme aan en ze lachte. Ze hief een arm omhoog en zwaaide terug. Voor het eerst sinds ik haar in mijn blikveld had keek ik van haar weg. Ik moest de veerman zien, ik moest een ander levend wezen zien, anders zou ik het laatste contact met de werkelijkheid definitief verliezen. Maar de veerman kon ik niet meer zien, de veerman was met pont en al uit mijn gezichtsveld gerukt door het grote vrachtschip. Ik keek opnieuw richting overkant, en zag Dawn nog net. Ze zwaaide niet meer alleen, ze stond uitbundig naar me te wenken en de warmte die door mijn hele lichaam golfde was onbeschrijflijk. Net als die allereerste keer, met als enig onderscheid de voorkennis die ik nu had, was ik tot alles bereid om haar voor mij te winnen. Ik nam een paar stappen voorwaarts, tot het water tot mijn kruis reikte, keek nog één keer hoe ze aan de overkant opgetogen naar mij stond te zwaaien en nam de duik. Even verdween mijn hoofd onder het kille zwarte water en was ik weg van de wereld om mij heen.
Het volgend ogenblik kwam mijn hoofd weer boven, en terwijl ik een mooie strakke schoolslag inzette, hoorde ik achter mij aan de kant de stem van Sjaak: ‘Mietje, mietje, je durft niet onder het schip door te zwemmen, je bent een mietje!’
Ik keek niet om, bang voor wat ik te zien zou kunnen krijgen, ik keek voor mij en was er getuige van hoe het schip tussen haar en mij inschoof, langzaam maar onverbiddelijk. Het laatste dat ik van haar zag was haar lachen; ze lachte nu, luid en hartelijk. Ik was nog maar zo’n tien meter van de vaarbaan van het schip verwijderd. Ik kon wachten tot het voorbij was, maar het geroep van Sjaak aan de oever deed mij besluiten.
‘Je durft niet, mietje, je durft niet, mietje!’
Ik haalde nog één keer diep adem en met een vastberadenheid die ik nog nooit gevoeld had en die ik ook nooit meer zou voelen hief ik mijn hoofd uit het water en liet het direct daarop weer onderduiken.
Het geschreeuw van Sjaak verstomde, de herinneringen aan Dawn leefden op en het koude zwarte water nam volledig bezit van mij.

Share Button